Pensioenen
5.1 Communicatie
Onze communicatie is erop gericht om de zelfredzaamheid van onze deelnemers te vergroten. Daarnaast werken we aan een goede relatie met deelnemers en werkgevers, door het vertrouwen in ons pensioenfonds te versterken. Om deze ambities te realiseren, hebben we in 2023 weer diverse communicatieactiviteiten uitgevoerd.
Nieuw pensioenstelsel
Ten behoeve van het nieuwe pensioenstelsel is een apart communicatieplan opgesteld voor alle communicatiemomenten. Het doel is om deelnemers en werkgevers tijdig en transparant te informeren over de veranderingen. Om toe te zien op de voortgang en kwaliteit van de Wtp-communicatie komt maandelijks een Wtp-werkgroep bijeen. Aan deze werkgroep neemt ook Pensioenfonds Zoetwaren deel. Het communicatieplan als verplicht onderdeel van het implementatieplan staat voor een groot deel gereed. Alle communicatie-activiteiten in het kader van Wtp lopen op schema.
Keuzebegeleiding
Vanuit de Wet toekomst pensioenen is per 1 juli 2023 adequate keuzebegeleiding rondom pensionering verplicht. De beoogde nieuwe keuzemogelijkheid om op pensioendatum een bedrag ineens op te nemen is uitgesteld. In 2023 zijn voor keuzebegeleiding reeds voorbereidingen getroffen, onder meer in de online pensioenplanner en bij de pensioendesk. Per 1 juli 2023 voldoet het Bakkers Pensioenfonds aan de wet als het gaat om keuzebegeleiding (Artikel 48a). Een nadere invulling die recht doet aan de zorgambitie van het Bakkers Pensioenfonds wordt verder vormgegeven in 2024.
Ontwikkelingen naast Wet toekomst pensioenen
In 2023 speelde naast de Wtp ook ‘bedrag ineens' (al zijn de voorbereidingen daarvoor tijdelijk stop gezet), toezicht op duurzaamheid en SFDR, en de Wet pensioenverdeling bij scheiding. Tenslotte is ook de gedragslijn van de Pensioenfederatie ‘Goed omgaan met klachten’ geïmplementeerd.
Online videogesprekken
Sinds 2021 bieden we met succes online videogesprekken aan. Deze gesprekken helpen deelnemers aantoonbaar om het inzicht in hun persoonlijke pensioensituatie en keuzes te vergroten. Daarom zijn de videogesprekken ook in 2023 voortgezet met de intentie om deze door te ontwikkelen tot een structurele dienstverlening.
Inzet van de pensioenconsulent
Onze pensioenconsulent helpt om pensioen begrijpelijk en inzichtelijk te maken voor werknemers en werkgevers (HR-medewerkers). Dit gebeurt door middel van pensioenbijeenkomsten op locatie en persoonlijke gesprekken met werknemers. Ook in 2023 hebben met name de grotere werkgevers goed gebruikgemaakt van deze dienstverlening. In totaal is de pensioenconsulent 27 keer op bezoek geweest bij een werkgever, voor een totaal van bijna 200 uur. Via de brancheorganisaties is de pensioenconsulent extra onder de aandacht gebracht.
Activerende campagnes rondom pensioen
In 2023 hebben we naast onze reguliere pensioencommunicatie diverse activerende, doelgroepgerichte campagnes ingezet om deelnemers uit te nodigen om actief aan de slag te gaan met hun pensioen. Het doel is om zo hun inzicht en zelfredzaamheid te vergroten. We hebben meegedaan aan de landelijke Pensioen3daagse van ‘Wijzer in geldzaken’. De campagne activeerde deelnemers om de website Mijnpensioenoverzicht.nl te bezoeken. Daarnaast hebben we gerichte campagnes ingezet voor deelnemers die nieuw in dienst zijn én deelnemers die de pensioenleeftijd naderen (58 jaar en ouder). We hebben twee campagnes ingezet om de digitale bereikbaarheid te bevorderen. Ultimo 2023 zijn 54% van de actieven, 38% van de slapers en 61% van de gepensioneerden digitaal bereikbaar. Tot slot hebben we een ESG-campagne ingezet én de werkgeverscampagne ‘Betalingsmogelijkheden (Automatische incasso en digitale nota)’. Hiermee activeren en faciliteren we werkgevers om met automatische incasso of per digitale nota te betalen. Dit draagt bij aan de verdere digitalisering van het fonds.
Vooruitblik 2024
Ons strategisch communicatiebeleid heeft geen vastgesteld eindpunt en biedt daarmee ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten op basis van actualiteiten en onderzoeksresultaten. Onze ambities blijven in de basis gelijk:
- Onze deelnemers en werkgevers hebben een sterke relatie met het pensioenfonds. Dit realiseren we door te bouwen aan vertrouwen, maar ook door de (digitale) bereikbaarheid verder te vergroten.
- Onze deelnemers zijn zelfredzaam: ze hebben inzicht in hun pensioen en komen in actie als dat nodig is. Onze communicatieacties gaan daarom verder dan alleen informeren: ze hebben tot doel om deelnemers te activeren om met hun pensioen aan de slag te gaan.
- Onze werkgevers zijn zelfredzaam: ze hebben inzicht in de pensioenregeling en weten wanneer zij of hun werknemers in actie moeten komen. Lang niet alle werkgevers hebben de tijd om zich te verdiepen in pensioen. Voor deze werkgevers is het vooral belangrijk dat we ze ontzorgen door de juiste middelen aan te reiken.
Om hier invulling aan te geven stellen we jaarlijks een communicatiejaarkalender op met de projecten voor het betreffende jaar. Belangrijke speerpunten voor 2024 zijn:
- Uitvoering van het communicatieplan Wet toekomst pensioenen.
- Communicatie over het voorgenomen samengaan met Pensioenfonds Zoetwaren.
- Keuzebegeleiding verder vormgeven.
- Continuering van videogesprekken en inzet pensioenconsulent
- Activerende, doelgroepgerichte campagnes rondom thema’s als: pensionering, nieuw in dienst, nu iets doen voor je pensioen en digitale bereikbaarheid.
5.2 Uitvoeringskosten
Het pensioenfonds maakt voor het uitvoeren van de pensioenregeling diverse kosten. Deze worden onderverdeeld in kosten voor de pensioenuitvoering en kosten voor vermogensbeheer. Het bestuur vindt het belangrijk transparant te zijn over deze kosten. De kosten worden gepresenteerd met inachtneming van de aanbevelingen van de Pensioenfederatie en AFM. Hieronder volgt een totaaloverzicht van de ratio’s zoals aanbevolen door de Pensioenfederatie.
| 2023 | 2022 | |
|---|---|---|
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer | ||
| (in euro per deelnemer) | 153 | 143 |
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer | ||
| (in euro per deelnemer inclusief slapers) | 63 | 54 |
| Directe Vermogensbeheerkosten | ||
| (als percentage van het gemiddeld belegd vermogen) | 0,17% | 0,17% |
| Indirecte Vermogensbeheerkosten | 0,22% | 0,13% |
| (als percentage van het gemiddeld belegd vermogen) (beleggingsfondsen/schatting) | ||
| Totaal van directe en indirecte kosten vermogensbeheer | 0,39% | 0,30% |
| Transactiekosten | 0,06% | 0,12% |
| (als percentage van het gemiddeld belegd vermogen) (schatting) | ||
| Totaal kosten vermogensbeheer | 0,45% | 0,42% |
| Totaal kostenratio uitvoeringskosten en kosten vermogensbeheer als % van het gemiddeld belegd vermogen (exclusief transactiekosten) | 0,62% | 0,49% |
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 |
|---|---|---|
| Pensioenuitvoeringskosten conform jaarrekening (incl. algemene kosten) |
10.778 | 9.290 |
| Waarvan algemene kosten | 3.896 | 1.890 |
| Pensioenuitvoeringskosten excl. algemene kosten | 6.882 | 7.400 |
| Verdeelsleutel voor de algemene kosten: | ||
| Pensioenbeheer | 57,60% | 53,30% |
| Vermogensbeheer | 42,40% | 46,70% |
| Derhalve: | ||
| Algemene kosten toe te rekenen aan pensioenbeheer | 2.245 | 1.008 |
| Algemene kosten toe te rekenen aan vermogensbeheer | 1.651 | 882 |
| Kosten pensioenbeheer excl. algemene kosten | 6.882 | 7.400 |
| Toerekening algemene kosten | 2.245 | 1.008 |
| Totaal kosten pensioenbeheer na toerekening algemene kosten | 9.127 | 8.408 |
| / Aantal actieven en gepensioneerden | 59.482 | 58.682 |
| = Uitvoeringskosten per deelnemer (in euro per deelnemer) | 153 | 143 |
| Kosten vermogensbeheer conform jaarrekening | 5.059 | 6.475 |
| Toerekening algemene kosten aan kosten vermogensbeheer | 1.651 | 882 |
| Kosten vermogensbeheer na toerekening algemene kosten | 6.710 | 7.357 |
| / Gemiddeld belegd vermogen | 3.969.361 | 4.457.112 |
| = Directe vermogensbeheerkosten | 0,17% | 0,17% |
Toerekening algemene kosten
De algemene kosten betreffen kosten die niet direct toegerekend kunnen worden aan de pensioenuitvoering of vermogensbeheer. Deze kosten betreffen kosten voor bestuur en commissies, externe adviseurs en toezichthouders. De algemene kosten worden verdeeld over pensioenuitvoeringskosten en vermogensbeheerkosten. De verhouding van deze verdeling is het percentage van pensioenuitvoeringskosten ten opzichte van de vermogensbeheerkosten. Deze toerekening van kosten is niet in de jaarrekening van toepassing. In de jaarrekening worden al deze toegerekende kosten onder pensioenuitvoeringskosten verantwoord.
Uitvoeringskosten pensioenbeheer
Deze kosten betreffen de integrale kosten van pensioenuitvoering door TKP. Verder bestaan de kosten van pensioenbeheer uit communicatiekosten en toegerekende algemene kosten. De pensioenuitvoeringskosten worden gerapporteerd in euro’s per deelnemer, waarbij het aantal deelnemers de som is van het aantal actieve deelnemers en gepensioneerden. De onderstaande aantallen zijn hierbij gebruikt:
Deelnemersaantallen
| Aantallen natuurlijke personen ultimo: | 2023 | 2022 |
|---|---|---|
| Actieven | 34.857 | 34.526 |
| Gepensioneerden | 24.625 | 24.156 |
| Slapers | 85.680 | 97.955 |
Toelichting op de uitvoeringskosten per deelnemer
De uitvoeringskosten pensioenbeheer per deelnemer zijn ten opzichte van 2022 met € 10 gestegen. Hieraan liggen diverse oorzaken ten grondslag waarvan er een in het oog springt.
De pensioenuitvoeringskosten liggen in 2023 met € 10.778 duizend hoger dan in 2022 toen het bedrag nog € 9.290 duizend was.
In 2023 betroffen die kosten die werden gemaakt ter voorbereiding op de Wet toekomst pensioenen € 1.549 duizend.
Dit betreft aanloopkosten in rekening gebracht door de pensioenuitvoerder voor ontwikkeling van het nieuwe IT platform alsmede externe advieskosten voor het uitwerken van het implementatie- en het transitieplan. In 2022 bedroegen deze kosten € 533 duizend. Deze kosten drukken hun stempel op de uitvoeringskosten per deelnemer. Indien deze kosten bij beide jaren buiten beschouwing worden gelaten, zouden de kosten per deelnemer in 2023 op € 138 en in 2022 op € 134 uitkomen. Dit is een stijging van € 4 per deelnemer, hetgeen hoger is dan de prijspeilontwikkeling maar in het licht van inflatie gezien zeer acceptabel. De verwachting is dat de pensioenuitvoeringskosten na overgaan op Wtp licht zullen dalen. Daarnaast zullen de pensioenuitvoeringskosten na samengaan met Bpf Zoetwaren verder dalen.
De verhouding tussen de pensioenuitvoeringskosten en de kosten van vermogensbeheer ligt dit jaar hoger dan vorig jaar. Deze verhouding bepaald de mate waarin algemene kosten doorbelast worden aan de kosten van vermogensbeheer. In 2023 is het percentage van de algemene kosten dat wordt toegerekend aan de uitvoeringskosten 57,6%. In 2022 was dit 53,3%. Hierdoor worden naar verhouding meer kosten doorbelast aan de kosten van de pensioenuitvoeringskosten. Ook hierdoor nemen de uitvoeringskosten per deelnemer toe.
Overige effecten hebben juist een dempend effect op de ontwikkeling van de kosten per deelnemer. De verhouding in deelnemersaantallen heeft juist een gunstig effect op de kosten per deelnemer. Ultimo 2023 is het totaal van actieve en gepensioneerde deelnemers met 1,6% toegenomen naar 59.482. Ultimo 2022 bedroeg het totaal 58.682 actieve en gepensioneerde deelnemers. Door deze toename wordt de stijging van de kosten per deelnemer met € 3 gedempt.
De uitvoeringskosten pensioenbeheer hangen tevens samen met het afgesproken serviceniveau. Het pensioenfonds biedt een volledig pakket diensten aan de deelnemers aan, inclusief de diensten van een pensioenplanner en van een pensioenconsulent.
Het pensioenfonds heeft in 2023 wederom deelgenomen aan het Bell benchmarkonderzoek. Dit onafhankelijke onderzoek geeft inzicht in de in 2022 gemaakte uitvoeringskosten en het gerealiseerd rendement, in vergelijking tot pensioenfondsen van gelijke omvang. Uit dit onderzoek onder 34 pensioenfondsen van vergelijkbare omvang blijkt dat in 2022 een gemiddelde (over de jaren 2020-2022) lieten zien van € 175 voor de uitvoeringskosten per deelnemer, waarbij 26 fondsen hogere kosten hadden en 7 fondsen lagere kosten. Het pensioenfonds heeft met over die jaren een gemiddelde van € 137 aan uitvoeringskosten per deelnemer. Dit niveau ligt ruim 20% onder het gemiddelde niveau van de fondsen met gelijke omvang.
Oordeel bestuur over de pensioenuitvoeringskosten per deelnemer
De ambitie van het fonds is om de kosten maximaal met 0,5% per jaar te laten stijgen. In 2023 kan deze ambitie niet waargemaakt worden. De stijging dit jaar van 7,0% vindt met name zijn oorsprong in de kosten die samenhangen met de Wet toekomst pensioenen. De investering in het project waren in 2023 € 1.549 duizend en in 2022 € 533 duizend. Indien ter vergelijking van de cijfers deze onvermijdelijke investering buiten beschouwing wordt gelaten zou de stijging van het bedrag per deelnemer uitkomen op € 4 wat overeenkomt met 3,0%. Ook dit percentage is nog steeds boven de 0,5%. Het pensioenfonds is zich bewust van de projectkosten die onvermijdelijk zijn en probeert zoveel mogelijk de samenwerking met Zoetwaren te vinden teneinde de kosten waar mogelijk te beperken.
Uitvoeringskosten vermogensbeheer
De directe kosten vermogensbeheer worden gerapporteerd als percentage van het gemiddeld belegd vermogen. Het betreft die kosten waaraan een factuur ten grondslag ligt en waarvan de waarde aansluit bij de staat van baten en lasten van de jaarrekening. Voor de bepaling van het gemiddeld belegd vermogen zijn de aanbevelingen van de Pensioenfederatie gevolgd.
De indirecte kosten vermogensbeheer worden weergegeven als percentage van het gemiddeld belegd vermogen.
De (geschatte) transactiekosten worden gerapporteerd als percentage van het gemiddeld belegd vermogen (conform aanbevelingen van de Pensioenfederatie).
Indien werkelijke cijfers niet beschikbaar waren over de transactiekosten voor beleggingen in aandelenfondsen, is gewerkt volgens de aanbevelingen van de Pensioenfederatie.
De totale kosten vermogensbeheer bedroegen in 2023 € 16.140 duizend (2022: € 17.619 duizend).
| Kosten vermogensbeheer (bedragen x € 1.000) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2023 | Beheer- kosten |
Performance gerelateerde kosten | Transactie- kosten |
Overige vermogens-beheerkosten | Totaal |
| Kosten per beleggingscategorie | |||||
| Vastgoed | 1.737 | 108 | 0 | 1.845 | |
| Vastrentende waarden | 5.041 | 233 | 683 | 5.957 | |
| Aandelen | 7.443 | -1.317 | 9 | 366 | 6.501 |
| Derivaten | 222 | 895 | 1.117 | ||
| Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën | 14.443 | -1.209 | 1.137 | 1.049 | 15.420 |
| Overige vermogensbeheerkosten | |||||
| Kosten fiduciair beheer | 1.455 | 1.455 | |||
| Overige vermogensbeheer | -735 | -735 | |||
| Totaal overige kosten vermogensbeheer | 1.455 | -735 | 720 | ||
| Totaal kosten vermogensbeheer | 15.898 | -1.209 | 1.137 | 314 | 16.140 |
| Kosten vermogensbeheer (bedragen x € 1.000) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2022 | Beheer- kosten |
Performance gerelateerde kosten | Transactie- kosten |
Overige vermogens-beheerkosten | Totaal |
| Kosten per beleggingscategorie | |||||
| Vastgoed | 1.775 | 31 | 0 | 1.806 | |
| Vastrentende waarden | 5.092 | 1.280 | 6.372 | ||
| Aandelen | 7.205 | -3.865 | 2.719 | 6.059 | |
| Derivaten | 237 | 1.234 | 1.471 | ||
| Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën | 14.309 | -3.834 | 5.233 | 0 | 15.708 |
| Overige vermogensbeheerkosten | |||||
| Kosten fiduciair beheer | 1.302 | 1.302 | |||
| Overige vermogensbeheer | 609 | 609 | |||
| Totaal overige kosten vermogensbeheer | 1.302 | 609 | 1.911 | ||
| Totaal kosten vermogensbeheer | 15.611 | -3.834 | 5.233 | 609 | 17.619 |
Toelichting op de totale kosten vermogensbeheer
De afname van de totale kosten vermogensbeheer (zowel direct als indirect) naar € 16.140 duizend (2022: € 17.619 duizend) wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de transactiekosten lager uitvallen. Deze waren in 2022 € 5.233 duizend en namen in 2023 met 78% af naar € 1.137 duizend. De beheerkosten zijn globaal op hetzelfde niveau gebleven.
Uit het onafhankelijk Bell-benchmarkonderzoek blijkt dat de vermogensbeheerkosten over 2022 (het rapport gaat over het voorgaande jaar) bij het fonds naar verhouding lager liggen dan bij pensioenfondsen van een vergelijkbare omvang. Het rendement in 2022 lag bij de pensioenfondsen met een vergelijkbare omvang op -21,3%. Pensioenfonds Bakkers realiseerde vorig jaar een rendement van -24,0%. Bij het overrendement (het rendement ten opzichte van een door het pensioenfonds gekozen benchmark) zien we een tegengesteld effect. Dat bedroeg bij Pensioenfonds Bakkers 1,25% en bij vergelijkbare fondsen -0,53%. Daarnaast lagen de totale kosten voor vermogensbeheer bij Pensioenfonds Bakkers met 0,42% lager dan bij de overige pensioenfondsen waar de totale kosten voor vermogensbeheer 0,51% bedroegen.
Oordeel bestuur over de kosten van vermogensbeheer
De kosten voor vermogensbeheer hangen nauw samen met de door het bestuur gekozen beleggingscategorieën (meer actief dan passief), de mate van renteafdekking en het (relatief beperktere) risico dat daarbij wordt gelopen en zijn daarom in theorie niet één op één met andere pensioenfondsen te vergelijken.
Het bestuur is tevreden over de kostenontwikkeling van het vermogensbeheer gezien de dalende lijn en gunstige uitkomst in vergelijking met vergelijkbare pensioenfondsen. Voor 2024 streeft zij naar verdere kostendaling maar kunnen deze beïnvloed worden door bestuurlijke besluiten om de beleggingsrisico´s met oog op het invaren tijdelijk te beperken.
Totale kostenratio
De pensioenfederatie heeft in 2022 de totaal kostenratio geïntroduceerd. De Pensioenfederatie beveelt aan om, naast de bestaande (wettelijke) kengetallen met betrekking tot de uitvoeringskosten, een zogenaamde “totale kostenratio” op te nemen in het jaarverslag. Dit geeft een totaalinzicht in alle kosten van het beheer van een pensioenfonds, exclusief transactiekosten, als percentage van het belegd vermogen. Hiermee wordt duidelijk welke impact deze kosten hebben op het opgebouwde (pensioen)vermogen Het kengetal dient als aanvullende, maar tevens belangrijkste graadmeter voor de beoordeling van de kosten van het pensioenfonds. Het percentage heeft het fonds conform de aanbevelingen van de Pensioenfederatie opgenomen. In 2023 bedroeg de totaal kostenratio 0,62% terwijl dit in 2022 0,49% was. De toename wordt veroorzaakt doordat 2023 de kosten die samenhangen met de invoering van de Wet toekomst pensioenen relatief zwaar wegen in het totaal. Echter deze kosten hebben een onvermijdelijk karakter. Daarnaast ligt het gemiddeld belegd vermogen in 2023 lager dan in 2022, hierdoor wordt de de totaal kostenratio tevens negatief beïnvloed. Indien met het zelfde gemiddeld belegd vermogen als in 2022 wordt gerekend zou de kostenratio op 0,55% procent zijn uitgekomen. Deze gecorrigeerde stijging en opzichte van 2022 valt grotendeels te verklaren uit gestegen tarieven van adviesdiensten door de hoge inflatie en krapte op de arbeidsmarkt.
Oordeel bestuur over de totale kostenratio
De totale kostenratio wordt in 2023 sterk beïnvloed door de kosten gemaakt voor de Wet Toekomst Pensioenen.
Zonder deze eenmalige kosten zien we een beperkte stijging in een markt waar het fonds de tarieven van haar externe adviseurs door marktomstandigheden als forse inflatie en arbeidskrapte sterk heeft zien stijgen. Toenemende nationale en Europese regelgeving waaraan financiële instellingen en dus ook pensioenfondsen moeten voldoen, zetten een druk op ons streven naar kostenbeheersing.
Hoewel het bestuur deze uitkomst acceptabel acht (en deze beduidend lager is dan in het commerciële verkeer van banken, vermogensbeheerders en verzekeraars), streeft het bestuur naar een beheersing van de kostenstijging en een competitief kosten niveau ten opzichte van vergelijkbare pensioenfondsen door verdere samenwerking te zoeken met andere pensioenfondsen en door de het voorgenomen samengaan Bpf Zoetwaren.
| Kosten per beleggingscategorie in basispunten van het gemiddeld belegd vermogen | ||
|---|---|---|
| Assetcategorie | 2023 | 2022 |
| Vastgoed | 5 | 4 |
| Vastrentende waarden | 15 | 14 |
| Aandelen | 16 | 14 |
| Derivaten | 3 | 3 |
| Overig | 2 | 4 |
| Totaal | 41 | 40 |
5.3 Pensioenregeling
Pensioenregeling
De inhoud van de pensioenregeling vloeit voort uit het overleg tussen cao-partijen. De belangrijkste kenmerken van de pensioenregeling zijn:
Pensioenregeling 2023
| Pensioensysteem | Uitkeringsovereenkomst in de vorm van een middelloonregeling. De pensioenuitkering is gebaseerd op het salaris dat gemiddeld verdiend is tijdens de deelnemingsperiode. |
|---|---|
| Pensioenleeftijd | Pensioenleeftijd 68 jaar. |
| Toetredingsleeftijd | Een werknemer die in dienst is bij een werkgever die is aangesloten bij het Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf neemt verplicht deel aan de pensioenregeling. De deelname gaat in op de eerste dag van de maand waarin de werknemer 20 jaar wordt. |
| Pensioengevend salaris | Het voor de werknemer geldende loon in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen in het boekjaar. |
| Grenssalaris | Het maximum in aanmerking te nemen pensioensalaris. Het grenssalaris is € 60.200,-; |
| Excedentsalaris | Het excedentsalaris is fiscaal gemaximeerd op € 121.810,-. |
| Franchise | Het franchisebedrag bedraagt € 16.322,- |
| Opbouwpercentage middelloon ouderdomspensioen | 1,35% van de pensioengrondslag. |
| Opbouwpercentage excedentregeling ouderdomspensioen | 1,875% van het excedentdeel. |
| Nabestaandenpensioen | Het nabestaandenpensioen (op opbouwbasis) bedraagt maximaal 70% van het te behalen ouderdomspensioen. |
| Wezenpensioen | Het wezenpensioen bedraagt voor elk kind 14% van het te behalen ouderdomspensioen en wordt uitgekeerd tot 18 jaar. Indien het kind na zijn 18e verjaardag een dagopleiding volgt aan een mbo-, een hbo- of een universitaire instelling of een daarmee (naar het oordeel van het Bestuur) gelijk te stellen opleiding, dan wordt het wezenpensioen uitgekeerd zolang de opleiding wordt gevolgd. In ieder geval zal het wezenpensioen niet langer worden uitgekeerd dan tot het einde van de maand waarin het kind zijn 27e verjaardag bereikt. Als beide ouders overlijden, wordt het wezenpensioen verdubbeld tot 28% van het jaarlijkse ouderdomspensioen. |
| Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid | Bij arbeidsongeschiktheid volgens de WIA- of WAO wordt de pensioenopbouw geheel of gedeeltelijk voortgezet, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. De financiering van de voortzetting van pensioenopbouw komt voor rekening van het pensioenfonds. |
| Toeslagverlening | Als de middelen van het pensioenfonds het toelaten, kan het Bestuur de ingegane pensioenen, de premievrije aanspraken van gewezen deelnemers en de opgebouwde aanspraken van actieve deelnemers aanpassen. De toeslagverlening is voorwaardelijk. Er is geen recht op toeslagverlening en het is op de langere termijn niet zeker of en in hoeverre toeslagverlening zal plaatsvinden. Voor de voorwaardelijke toeslagverlening is geen reserve gevormd. Deze wordt gefinancierd uit de beleggingsrendementen. |
| Financiering | De deelnemersbijdrage in de pensioenregeling is in de cao voor het Bakkersbedrijf opgenomen. De bijdrage van de onderneming wordt geregeld in de uitvoeringsovereenkomst met het pensioenfonds. |
| Flexibele elementen | De pensioenregeling heeft een aantal flexibele elementen: |
| Flexibele ingangsdatum 55-70 jaar; | |
| Flexibele aanwendingmogelijkheden, hoog-laagconstructie; | |
| Uitruilen ouderdomspensioen in partnerpensioen en omgekeerd. | |
| Het bestuur is bevoegd de flexibiliseringsfactoren periodiek aan te passen op advies van de actuaris. |
Aanpassing pensioenregeling per 1 januari 2023
Het opbouwpercentage voor de ‘basisregeling’ is verhoogd van 1,30% naar 1,35%.
Excedentregeling
Het pensioenfonds kent een aanvullend reglement excedentvoorziening die door middel van actuariële premie wordt gefinancierd. De grondslagen voor de vaststelling van de voorziening zijn gelijk aan de grondslagen van de basisregeling. Voor de excedentregeling is vanaf 2022 besloten om een premie te hanteren die minimaal kostendekkend is. Dit komt overeen met een minimale premiedekkingsgraad van 100%. Indien een beleidsdekkingsgraad onder de 100% uitkomt, is de premiedekkingsgraad in de excedentregeling dan tenminste 100%. Bij een beleidsdekkingsgraad van b.v. 110% is de solvabiliteitsopslag 10% zodanig dat de premiedekkingsgraad ook 110% bedraagt. Aanvullend is vastgesteld dat de solvabiliteitsopslag niet negatief/minder dan 0% mag zijn. Hiermee wordt beoogd de regeling niet onnodig uit de markt te prijzen.
Vrijwillige aansluiting
Deze regeling is van toepassing op bedrijven die niet direct onder de werkingssfeer van het pensioenfonds vallen, maar qua karakter van het bedrijf en de aard van de werkzaamheden wel “branche-specifiek” genoemd kunnen worden. Op grond van deze regeling worden pensioenaanspraken geadministreerd overeenkomstig de basisregeling van het pensioenfonds.
Voor de benodigde premie worden de fondsgrondslagen toegepast, de verschuldigde premie is gelijk aan de doorsneepremie van de basisregeling.
Enkele bijzondere aspecten
Het pensioenfonds kent een regeling voor vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw na beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of ingang ouderdomspensioen.
De cao voor het Bakkersbedrijf kent vanaf 1 januari 2016 een vitaliteitsregeling waarbij de in aanmerking komende deelnemer 80% werkt, 90% salaris ontvangt en 100% pensioenopbouw verkrijgt over de periode van de vitaliteitsregeling. Het pensioenfonds regelt hierbij de 100% voortzetting van pensioenopbouw van de betreffende deelnemer.
Toeslagverlening
Het toeslagbeleid dient op grond van de Pensioenwet toekomstbestendig te zijn. Dit betekent dat niet meer toeslag wordt verleend dan in de toekomst te realiseren is. Voor het bepalen van het toeslagpercentage wordt onderstaande toeslagstaffel gehanteerd:
| Beleidsdekkingsgraad | Toeslagverlening |
|---|---|
| < 110% | Geen toeslagverlening. |
| Tussen 110% en toeslagverleningsdekkingsgraad* (%) | Gedeeltelijke toekomstbestendige toeslagverlening. |
| > Toeslagverleningsdekkings-graad (%) | Volledige toeslagverlening. Wanneer er na het verlenen van toeslagen een overschot is (vermogen boven dekkingsgraad gelijk aan de toeslagverleningsdekkingsgraad) mag dit overschot binnen de fiscale grenzen voor 1/5e deel worden aangewend om gemiste toeslagen in te halen en eventuele kortingen uit het verleden goed te maken. |
5.4 Nieuwe wetgeving
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste externe ontwikkelingen voor de komende periode besproken die van invloed kunnen zijn op het beleid van het pensioenfonds.
Wet toekomst pensioenen
De Wet toekomst pensioenen (Wtp) is op 1 juli 2023 in werking getreden. Voor veel wijzigingen in de Pensioenwet geldt dat die pas effectief worden, zodra de pensioenuitvoerder de pensioenregeling aanpast conform de Wtp. Voor pensioenfondsen betekent dat in bijna alle gevallen een overgang naar de solidaire premieregeling (SPR).
De overgangstermijn is met een jaar verlengd en loopt tot 1 januari 2028. Op die datum zouden alle pensioenuitvoerders moeten zijn overgegaan naar de nieuwe pensioenregeling en zouden pensioenfondsen, als zij daarvoor hebben gekozen, bestaande aanspraken en rechten hebben omgezet (ingevaren) naar de nieuwe regeling.
Naar verwachting zal een eerste groep pensioenfondsen op 1 januari 2025 de overstap maken naar de SPR. Verschillende fondsen hebben inmiddels hun transitieplan gepubliceerd. Daarin staan enkele hoofdlijnen van de nieuwe pensioenregeling, zoals sociale partners die hebben afgesproken. Veel fondsen hebben inmiddels een (voorlopige) keuze gemaakt voor onderdelen als de hoogte van de beschikbare premie en van het partner- en wezenpensioen en voor een collectieve uitkeringsfase. Maar veel details zullen nog moeten worden ingevuld. Begin 2024 zijn er heel wat kwesties die moeten worden opgelost, juridisch en administratief, om de overgang succesvol te laten verlopen. Zo is nog niet geheel bekend welke mogelijkheden er zijn om resultaten te spreiden, wat voor alle betrokkenen, maar met name voor de uitkeringsfase, van belang is. Verder is met de verkiezingen de politieke situatie veranderd. Het is niet uit te sluiten dat er wijzigingen in de Wtp aangebracht zullen worden die verder gaan dan onder het volgende kopje vermeld. Zo wordt er al enige tijd gesproken over een collectief instemmingsrecht bij het invaarbesluit. Er is besloten om nu op invaardatum 1 januari 2026 te richten (of zoveel eerder als mogelijk). Dit als gevolg van de onzekere politieke omstandigheden en het feit dat TKP de voorbereidende werkzaamheden niet tijdig afgerond kan hebben vanwege de omvang en complexiteit van het pensioenfonds.
Aanpassingen in de Wtp
De regering heeft een aantal aanpassingen van en aanvullingen op de Wtp en andere wetten aangekondigd. In het wetsvoorstel voor deze ‘Verzamelwet Wtp’ worden onder meer de volgende onderwerpen verwacht:
- Uniformering van het kind-begrip. Er bestaan nu verschillen tussen wat pensioenuitvoerders in hun regeling onder een ‘kind’ verstaan. Een wettelijke definitie moet ervoor zorgen dat in situaties die minder gangbaar zijn, zoals bij stief- en pleegkinderen en samengestelde gezinnen, alle pensioenregelingen die wezenpensioen kennen, uitgaan van hetzelfde kind-begrip;
- Voor de voortzetting van het risicopartnerpensioen na einde deelneming biedt de Pensioenwet een duidelijke regeling. Voor wezenpensioen geldt dat nog niet. Het recht op voortzetting van wezenpensioen na einde deelneming zal op dezelfde manier worden geregeld als de voortzetting van de dekking van het risicopartnerpensioen.
Andere wetswijziging, buiten de Wtp maar wel pensioengerelateerd:
- Niet deelnemen aan pensioenregeling vermelden op loonstrook. De deelnemersbijdrage aan de pensioenpremie van een werknemer die deelneemt aan een pensioenregeling staat op de loonstrook. De SER wil dat ook op de loonstrook wordt vermeld, als de werknemer géén pensioen opbouwt. Zo worden werknemers zonder pensioen zich meer bewust van het gebrek aan oudedags- en nabestaandenvoorziening. Het wetsvoorstel Verzamelwet Wtp zal via internetconsultatie aan het publiek worden voorgelegd.
Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding
De opvolger van de huidige Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wps) zou oorspronkelijk op 1 januari 2021 in werking treden. Voordat de wet in behandeling kwam in de Tweede Kamer, werd de invoering door de komst van de Wtp al uitgesteld.
De Wps wordt ingevoerd aan het einde van de periode waarin pensioenuitvoerders kunnen overgaan naar een nieuwe pensioenregeling. Dit betekent inmiddels uitstel tot 1 januari 2028.
De Wtp zorgt voor veranderingen in het partnerpensioen en in het partnerbegrip, twee punten die de kern van de Wps raken. Binnen een SPR is er geen bijzonder partnerpensioen dat uitkeert bij overlijden voor de pensioendatum. Dat zorgt ervoor dat een wettelijke regeling voor het bijzonder partnerpensioen minder zinvol zal zijn. Of de politiek daar ook voldoende reden in ziet om het bijzonder partnerpensioen geheel te schrappen, dus ook voor bijzonder partnerpensioen bij overlijden na pensioeningang, is maar de vraag. De Wtp voorziet in een overgangsregeling voor reeds opgebouwd partnerpensioen dat ook uitkeert bij overlijden voor de pensioendatum. In veel gevallen is dat voor een ex-partner een voorziening van relevante omvang. Het voortbestaan van een regeling van bijzonder partnerpensioen voor dat opgebouwde partnerpensioen is daarom wel zinvol.
Aanpassingen wetgeving voor pensioenverdeling bij scheiding
Uitstel van de behandeling van de Wps betekent niet dat er helemaal niets gebeurt op het gebied van scheiding en pensioen. De hiervoor genoemde Verzamelwet Wtp bevat naar verwachting maatregelen die de positie van de ex-partner moeten verbeteren:
- Een verlenging van de maximale termijn voor indienen van het bekende meldingsformulier bij de pensioenuitvoerder van twee naar vijf jaar. Ook moeten pensioenuitvoerders na een scheiding ex-partners duidelijker wijzen op het kunnen gebruiken van dit formulier; De gevolgen van een scheiding tussen 1995 en inwerkingtreding van de Wps inzichtelijker maken op mijnpensioenoverzicht.nl.
Aanpak schijnzelfstandigheid
In 2023 heeft minister Van Gennip van het Ministerie van Sociale zaken en werkgelegenheid het wetsvoorstel ‘Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden’ ter consultatie voorgelegd. Het wetsvoorstel moet schijnzelfstandigheid tegengaan. Het wetvoorstel doet dit door de rechtspraak over de beoordeling van arbeidsrelaties te ordenen tot een hanteerbaar wettelijk toetsingskader. Volgens het wetsvoorstel is een zelfstandige als werknemer werkzaam wanneer zijn werkzaamheden werkinhoudelijk door de werkgever worden aangestuurd, zijn werkzaamheden zijn ingebed in de organisatie van de werkgever en betrokkene de werkzaamheden niet voor eigen rekening en risico verricht. Daarnaast introduceert het wetsvoorstel een rechtsvermoeden: als een werkende kan aantonen dat er sprake is van een uurtarief dat lager is dan een jaarlijks vast te stellen grensbedrag (in 2023 € 32,24) wordt vermoed dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het is aan de werkgever om aan te tonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Met name door dit rechtsvermoeden zal het voor een schijnzelfstandige veel eenvoudiger zijn om als werknemer aangemerkt te kunnen worden dan op dit moment.
Beperking terugwerkende kracht
Als de plannen in de praktijk worden gebracht en de regels worden gehandhaafd, kan dit leiden tot het in aanmerking nemen van aanzienlijke aantallen dienstverbanden van werknemers die voorheen als zelfstandige werkzaam waren. De Pensioenfederatie vreest dat dit leidt tot pensioenclaims over het verleden, waarbij de pensioenopbouw ten laste komt van de vermogens van pensioenfondsen, omdat er geen premie voor is betaald en die ook niet meer bij de werkgever valt te incasseren. De Pensioenfederatie heeft er daarom in zijn reactie op het consultatie-voorstel voor gepleit om de regels tegen schijnzelfstandigheid in te voeren met de beperking dat er geen aanspraken ontstaan over de periode vóór de invoeringsdatum.
Vervolg
De beoogde inwerkingtredingsdatum van het wetvoorstel is 1 juli 2025. Of het wetsvoorstel ongewijzigd aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden valt gezien de kritische reacties op het consultatie-voorstel te betwijfelen.
Wetsvoorstel bedrag ineens
Al in 2021 heeft het parlement ingestemd met de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen. Onderdeel daarvan was dat een deelnemer aan een pensioenregeling het recht krijgt om bij pensioeningang 10% van de waarde van zijn aanspraken op ouderdomspensioen ineens te kunnen ontvangen. De pensioenuitvoerder moet daaraan meewerken.
De voorgenomen datum van inwerkingtreding is al diverse malen uitgesteld. In november 2023 schreef de minister dat de wet niet eerder dan op 1 januari 2025 in werking zal kunnen treden.
5.5 Klachten
Luisteren naar deelnemers en daar naar handelen biedt kansen om onze dienstverlening structureel te blijven verbeteren. Hierbij volgen we de geactualiseerde versie (11 september 2023) van de Gedragslijn Goed omgaan met Klachten. Een vorm van zelfregulering waarmee leden van de Pensioenfederatie hebben vastgelegd wat het basisniveau is van hoe we als pensioenfondsensector willen omgaan met klachten. Hiermee sluiten we aan bij de verwachtingen van onze deelnemers en zijn we goed voorbereid op de verwachte toestroom van vragen en klachten door de stelselwijziging. De geactualiseerde versie sluit aan bij de Wet toekomst pensioenen.
Als gevolg van de brede klachtdefinitie rapporteren we nu ook over uitingen van ontevredenheid die tijdens een eerste contact direct worden opgelost, de zogenaamde first time fixed klachten. Over 2023 betreft dit 28 uitingen (gerubriceerd onder 'Overig'). Onze uitvoeringsorganisatie is nog bezig met de inrichting van de rubricering voor deze klachten. Daarom noemen we over 2023 alleen het aantal. Volgend jaar rubriceren en analyseren we ook deze klachten.
Ons klachtenreglement en -procedure zijn in lijn gebracht met de nieuwe wetgeving en de gedragslijn. Daarnaast heeft het bestuur een klachtenbeleid vastgesteld.
In onderstaand schema staan de aantallen klachten, geëscaleerde klachten en geschillen over 2023 toebedeeld aan een aantal vaste rubrieken zoals beschreven in de gedragslijn. Met ingang van 1 januari 2024 verwijzen we door naar de nieuw opgerichte Geschilleninstantie Pensioenfondsen (GIP).
In 2023 zijn 42 klachten afgehandeld. Over 2023 heeft nog geen registratie plaatsgevonden over het onderwerp tevredenheid van de klachten afwikkeling. Dit proces wordt in 2024 vormgegeven.
Onderverdeeld naar onderwerp (AFM classificatie) geeft dat het volgende beeld:
| Onderwerp | Aantal klachten | Geëscaleerde klachten | Geschillen | |||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Klachten/geschillen in behandeling per 1 januari 2023: | 0 | nb | nb | |||
| Afgehandelde klachten/geschillen 2023 per onderwerp: | ||||||
| - service en klantgerichtheid | 0 | nb | nb | |||
| - behandelingsduur | 2 | nb | nb | |||
| - informatieverstrekking | 1 | nb | nb | |||
| - deelnemersportaal | 0 | nb | nb | |||
| - keuzebegeleiding | 0 | nb | nb | |||
| - pensioenberekening en -betaling | 4 | nb | nb | |||
| - registratie werknemersgegevens/datakwaliteit | 0 | nb | nb | |||
| - toepassing wet- en regelgeving: algemeen | 3 | nb | nb | |||
| - toepassing wet- en regelgeving: invaren, transitie | 0 | nb | nb | |||
| - financiële situatie | 4 | nb | nb | |||
| - duurzaamheid | 0 | nb | nb | |||
| - overig | 28 | nb | nb | |||
| Afgehandelde klachten/geschillen in 2023: | 42 | nb | nb | |||
| Klachten/geschillen in behandeling per 31 december 2023: | 0 | nb | nb |
Op dit moment is onze pensioenuitvoeringsorganisatie bezig met de inrichting van een periodieke meting van de klanttevredenheid over de behandeling van klachten. Deze wordt in de loop van 2024 operationeel. Ook zal dan op een stelselmatige wijze gekeken worden naar mogelijke verbeteringen die wij kunnen doorvoeren op basis van de ontvangen klantsignalen.