Spring naar inhoud

Financiële positie, beleid, risicobeheer en interne audit in 2022

3.1 Financiële opzet en positie

Dekkingsgraad
De dekkingsgraad is een belangrijke maatstaf voor de financiële positie van een pensioenfonds. Het geeft het pensioenvermogen als percentage van de contante waarde van de pensioenverplichtingen weer. De dekkingsgraad kan wijzigen door diverse factoren, zoals de ontwikkeling van het beleggingsresultaat, verzekeringstechnische ontwikkelingen en de ontwikkeling van de marktrente. De beleidsdekkingsgraad wordt berekend als het gemiddelde van de twaalf maanddekkingsgraden naar de meest actuele inzichten. De beleidsdekkingsgraad is ultimo 2022 109,0% (2021: 98,2%). Derhalve is eind 2022 sprake van een reservetekort. 

Herstelplan
In maart 2023 heeft het pensioenfonds een geactualiseerd herstelplan bij DNB ingediend. Uit het herstelplan blijkt dat, uitgaande van de in dit herstelplan gehanteerde veronderstellingen, het pensioenfonds op basis van de dekkingsgraad ultimo 2022 binnen de gekozen hersteltermijn herstelt tot het vereist eigen vermogen. 

De ontwikkeling van de actuele dekkingsgraad van het pensioenfonds gedurende het jaar wordt hieronder weergegeven. Dit verloop is opgesteld op basis van een stap-voor-stap benadering waarbij per onderdeel het volledig effect op de dekkingsgraad is doorgerekend ten opzichte van de uitkomst van het voorgaande onderdeel. 

  2022 2021
Dekkingsgraad 1 januari 103,0% 92,5%
Effect premies -0,4% -0,3%
Effect uitkeringen 0,1% -0,1%
Effect toeslagverlening -1,0% 0,0%
Effect wijziging rente 47,0% 6,7%
Effect beleggingsresultaat -24,4% 4,1%
Effect aanpassing actuariële grondslagen -0,9% 0,0%
Effect overige oorzaken -11,0% 0,1%
Dekkingsgraad 31 december 112,4% 103,0%

Effect premies
Het effect op de premies wordt veroorzaakt doordat de feitelijke premie lager was dan de actuarieel benodigde premie.

Effect toeslagverlening
In 2022 is door het Bestuur besloten om 1% toeslag toe te kennen per 1 januari 2023.

Effect wijziging rente
De wijziging van de rentetermijnstructuur (RTS) heeft een positief effect gehad op de dekkingsgraad van 47,0%. Het rente-effect op de beleggingen is meegenomen onder rendement. 

Effect beleggingsresultaat
Het nettorendement, inclusief het rendement door afdekking van de rente, bedroeg in 2022 -24,0%. Dit rendement was (na aftrek van beleggingskosten) lager dan het rendement benodigd om de aangroei van de voorziening te financieren (-0,486%). De dekkingsgraad is hierdoor met 24,4%-punt afgenomen.

Effect aanpassing actuariële grondslagen
Ultimo 2022 zijn de volgende grondslagwijzigingen voor in totaal € 31.983 duizend doorgevoerd waarvan het totaaleffect op de dekkingsgraad -0,9%-punt is.

  • Overstap van Prognosetafel AG2020 naar Prognosetafel AG2022. Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 28.895 duizend. Het effect hiervan op de dekkingsgraad is 0,8%-punt negatief.
  • Overstap van ervaringssterftecorrectie 2020 naar ervaringssterftecorrectie 2022. Dit leidt tot een daling van de voorziening pensioenverplichtingen met € 3.837 duizend en heeft een positief effect op de dekkingsgraad van 0,1%-punt.
  • Overstap van de fondsspecifieke partnerfrequentie 2020 inclusief samenwonend naar CBS 2022 inclusief samenwonend. Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 1 duizend en heeft een negatief effect de dekkingsgraad van 0,0%-punt.
  • Overstap van een wezenopslag op onbepaald partnerpensioen van 0,48% naar 0,45%. Dit leidt tot een daling van de voorziening pensioenverplichtingen met € 124 duizend en een bijbehorende effect op de dekkingsgraad van 0,0%-punt.
  • Overstap naar nieuw opbouwpercentage 1,35% (was 1,30%) dat aangehouden wordt voor de bepaling van de schadereserve voor arbeidsongeschikten. Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 1.544 duizend en heeft een negatief effect op de dekkingsgraad van 0,1%-punt.
  • Voorziening voor toekomstige pensioenopbouw arbeidsongeschikten: de contante waarde van de vrijgestelde (toekomstige) pensioenopbouw is voor 100% in de technische voorziening opgenomen. Ten behoeve van het inlooprisico (wachttijd voor WIA-uitkering 2 jaar) wordt een opslag ter grootte van 7,3% van de actuariële koopsom voor de pensioenopbouw in het boekjaar en het voorgaande boekjaar opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen (2021: 4,8%). Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 3.322 duizend en een negatief effect op de dekkingsgraad van 0,1%-punt.

Effect overige oorzaken
Onder overig worden de effecten op de dekkingsgraad als gevolg van wijzigingen inzake waardeoverdrachten, kosten, sterfte, arbeidsongeschiktheid en overige mutaties en correcties verwerkt. Daarnaast spelen kruiseffecten tussen de verschillende oorzaken een rol. Bij het analyseren van de invloed van verschillende factoren op het resultaat, wordt het effect van een factor afgezonderd van het effect van de andere factoren, waarbij deze andere factoren constant worden gehouden. Het gecombineerde effect van verschillende factoren kan dan afwijken van de som van de samenstellende delen. Dit verschil wordt veroorzaakt, doordat de factoren niet alleen invloed hebben op het eindresultaat, maar ook op elkaar. Dit verschijnsel wordt kruiseffect genoemd. Doordat de diverse componenten dit jaar grote onderlinge afwijkingen laten zien, zijn dit jaar de kruiseffecten ook aanzienlijk. 

3.2 Beleid en beleidskeuzes

Het Bestuur heeft beleid ontwikkeld op het gebied van financiering, beleggingen en toeslagen om de risico’s en de financiële positie van het pensioenfonds te beheersen. Bij het maken van beleidskeuzes worden de belangen van alle belanghebbenden evenwichtig afgewogen. Het beleid moet worden uitgevoerd binnen de kaders van de pensioenovereenkomst zoals door de cao-partijen overeengekomen.

3.2.1 Toeslagbeleid

Voor de pensioenaanspraken van actieve, arbeidsongeschikte en gewezen deelnemers en de ingegane pensioenen van pensioengerechtigden wordt bij de bepaling van het indexatiepercentage uitgegaan van de ontwikkeling van een prijsindexcijfer (CPI voor alle huishoudens, afgeleid) tussen 1 april van het voorafgaande jaar en 1 april van het jaar waarop de indexatie betrekking heeft. 

Het toeslagbeleid dient op grond van de Pensioenwet toekomstbestendig te zijn. Dit betekent dat niet meer toeslag wordt verleend dan in de toekomst te realiseren is. Voor het bepalen van het toeslagpercentage wordt onderstaande toeslagstaffel gehanteerd: 

Beleidsdekkingsgraad Toeslagverlening
< 110% Geen toeslagverlening.
Tussen 110% en toeslagverleningsdekkingsgraad *(%) Gedeeltelijke toekomstbestendige toeslagverlening.
> Toeslagverleningsdekkingsgraad* (%) Volledige toeslagverlening.
Wanneer er na het verlenen van toeslagen een overschot is mag dit overschot binnen de fiscale grenzen voor 1/5e deel worden aangewend om gemiste toeslagen in te halen en eventuele kortingen uit het verleden goed te maken.

Het Bestuur kan besluiten een voorwaardelijke toeslag toe te kennen op grond van een extra mogelijkheid tot het verlenen van een toeslag die (lagere) wetgeving biedt. Van deze extra mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt indien wordt voldaan aan de nadere voorwaarden in de (lagere) wetgeving, in aanvulling en uitzondering op hetgeen in het bovenstaande bepaald is. In 2022 bestond er in afwijking van het reguliere indexatiebeleid van het pensioenfonds de mogelijkheid om op basis van een Algemene Maatregel van Bestuur over te gaan tot het verstrekken van indexatie. Hiermee was het mogelijk om vanaf een beleidsdekkingsgraad van 105% volledige indexatie te verlenen zonder dat daarbij de eis van toekomstbestendige toeslagverlening gold. Hierdoor heeft het Bestuur per 1 januari 2023 kunnen overgaan tot het verhogen van de (opgebouwde) pensioenen met 1%.  

Ieder jaar bekijkt het bestuur of de pensioenen verhoogd kunnen worden. De afgelopen jaren kon dat niet. Of de (opgebouwde) pensioenen verhoogd mogen worden, hangt bijvoorbeeld af van de dekkingsgraad. Die geeft aan of nu en in de toekomst de pensioenen doorbetaald kunnen worden. De dekkingsgraad was eind 2022 hoog genoeg doordat de overheid de regels had versoepeld. Daarom kon worden overgegaan tot het indexeren van de (opgebouwde) pensioenen. De afgelopen jaren heeft het pensioenfonds de prijsstijgingen niet kunnen bijhouden. Ook met deze indexering van 1% is minder verhoogd dan de prijsstijging.

In Nederland krijgen we een nieuw pensioenstelsel. Voor de overgang naar dit nieuwe pensioenstelsel is het belangrijk dat het pensioenfonds voldoende dekkingsgraad behoudt. Anders moeten de pensioenen misschien bij de overgang worden verlaagd. Dat heeft te maken met de nieuwe pensioenregels. Het Bestuur wil een verlaging van pensioenen voorkomen. Het Bestuur acht het daarom verantwoord en evenwichtig dat de pensioenen per 1 januari 2023 zijn verhoogd met 1%.

Effecten van de verhoging voor verschillende leeftijden De verhoging van de pensioenen geldt voor alle deelnemers van Pensioenfonds Bakkers,  jong en oud. Het toeslag besluit is na een zorgvuldige afweging van de diverse belangen van alle deelnemers, met het oog op het invaren in het nieuwe pensioenstelsel, tot stand gekomen. Richting het nieuwe pensioenstelsel willen wij voldoende buffers aan houden om de uitkeringen tenminste op het huidige niveau te kunnen houden in geval van tegenvallende financiële marktontwikkelingen. Bij de besluitvorming kijkt het bestuur naar de gevolgen van het besluit voor alle deelnemers. De gevolgen van deze verhoging verschillen per leeftijd. Bpf Bakkers wil overgaan naar het nieuwe pensioenstelsel, de effecten van deze verhoging voor de pensioenen zullen op het moment van invaren in het nieuwe stelsel worden meegewogen. Bij de hoogte van de indexatie is rekening gehouden met de noodzakelijke financiën van het fonds om over te kunnen gaan naar de nieuwe situatie.

1. De verhoging is positief voor gepensioneerden (tot circa 0,8% meer pensioenresultaat ten opzichte van niet indexeren). Dit komt vooral doordat de uitkeringen van de gepensioneerden direct omhoog gaan.

2. Voor de jongere deelnemers werkt de verhoging licht negatief uit (tot -0,3% minder pensioenresultaat ten opzichte van niet indexeren). Omdat de jonge deelnemers nog lang pensioen kunnen opbouwen blijft het uiteindelijke effect op het door hun te bereiken pensioen relatief klein. Het bestuur van het Bakkers Pensioenfonds heeft geoordeeld dat de toeslag hiermee evenwichtig is. Het effect hangt af van de leeftijd en de hoogte van het (opgebouwde) pensioen. Hoe ouder de deelnemer, des te positiever het effect. En hoe jonger de deelnemer, hoe negatiever het effect. De verschillen zijn relatief klein. Dit is een verwachting op basis van de huidige gegevens.

3.2.2 Financieringsbeleid

Financieringssysteem en ABTN
De wijze waarop de kostendekkende premie en de verschuldigde premie bij het fonds wordt vastgesteld wordt hierna nader toegelicht.

Vaststelling van de kostendekkende premie

De kostendekkende premie wordt jaarlijks bepaald als de som van:
De jaarinkoop (gedisconteerd met de reële rendementscurve) benodigd voor de in het boekjaar te verkrijgen aanspraken op (tijdelijk/extra) ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen, vermeerderd met de risicopremies voor arbeidsongeschiktheid (premievrijstelling) en overlijden (partnerpensioen en wezenpensioen) en vermeerderd met een opslag voor uitvoeringskosten.

De solvabiliteitsopslag in de premie is gelijk aan nul, tenzij het Vereist Eigen Vermogen horende bij de jaarinkoop hoger is dan de in de premie opgenomen kosten voor indexatie. In deze situatie is de solvabiliteitsopslag gelijk aan het Vereist Eigen Vermogen verminderd met de in de premie opgenomen kosten voor indexatie. Het Vereist Eigen Vermogen is het conform het standaardmodel van DNB berekende percentage ultimo voorgaand boekjaar.

Voor de berekening van de kostendekkende premie wordt uitgegaan van de reële rendementscurve. De reële rendementscurve wordt vastgesteld als het verwachte fondsrendement verminderd met een afslag voor indexatie en staat in beginsel voor een periode van 5 jaar vast. Per 1 januari 2021 is een nieuwe 5-jaarsperiode ingegaan. Bij het vaststellen van de reële rendementscurve is rekening gehouden met de maximale parameters, zoals vastgelegd in artikel 23a eerste lid van het Besluit Financieel Toetsingskader pensioenfondsen. De reële rendementscurve is gebaseerd op de rentetermijnstructuur per 30 september 2020 op het moment dat het Bestuur de premie voor 2021 heeft vastgesteld.

De uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de reële rendementscurve zijn door het Bestuur getoetst aan de resultaten in de ALM-studie uit 2019. Het verwachte reële fondsrendement in de ALM-studie kan per saldo gelijkgesteld worden aan het verwachte reële fondsrendement op basis van de maximale parameters en de overige wettelijke aannames betreffende verwacht rendement op vastrentende waarden en inflatie.

Voor het overige worden bij de kostendekkende premie de actuariële veronderstellingen gehanteerd, die ook bij de bepaling van de technische voorziening worden gebruikt. De opslag voor premievrije deelneming wegens arbeidsongeschiktheid bedraagt 4,8% van de actuariële koopsom voor de pensioenopbouw. De opslag voor dekking van de jaarlijkse administratiekosten bedraagt 1,1% van de som van het pensioengevend loon.

De verschuldigde premie
De bijdrage die het pensioenfonds met betrekking tot de regeling inzake ouderdoms-, nabestaanden- en wezenpensioen (inclusief premievrijstelling) ontvangt, bedraagt per deelnemer een percentage van het pensioengevend salaris. Het uitgangspunt is dat deze verschuldigde premie minimaal gelijk is aan de kostendekkende premie als hiervoor omschreven. Met ingang van 1 januari 2014 bedraagt dit percentage 14,0% van de salarissom. Het nabestaandenpensioen vindt bij het pensioenfonds plaats op kapitaalbasis.

Vanaf 1 januari 2016 wordt dit percentage jaarlijks vertaald naar een percentage van de pensioengrondslag (PG). Voor 2022 is de bijdrage vastgesteld op 25,8% van de pensioengrondslag. De pensioengrondslag wordt gevormd door het salaris minus de franchise van € 14.802.
De werkgever is gerechtigd een gedeelte van deze premie te verhalen op de werknemer volgens de afspraken die daarover zijn gemaakt in de geldende cao. Uitgangspunt is een sluitende financiële opzet van de pensioenregeling.

Verloop pensioenpremie en overige premies

De afgelopen vijf jaar hebben de premies zich als volgt ontwikkeld:

  2022 2021 2020 2019 2018
Pensioenpremie in % van de pensioengrondslag 25,8% 25,7% 25,2% 24,5% 24,4%

Excedentregeling

De premie voor de aanvullende excedentverzekeringen komt volledig ten laste van de werkgever. Deze actuariële premie is afhankelijk van het geslacht en leeftijd van de deelnemer. De premie voor de excedentregeling wordt als volgt vastgesteld:

Overlevingsgrondslagen: Prognosetafel AG2020, rekening houdend met ervaringssterfte. Per 1 januari 2022 wordt startjaar 2022 gebruikt. Het startjaar wordt jaarlijks één jaar doorgeschoven;
Marktrente: Rentetermijnstructuur van 30 september voorafgaand aan het jaar waarvoor de premie wordt vastgesteld;
Excassokosten: 2,7% van de nominale jaarinkoop;
Administratiekosten 1,1% van het pensioengevend (excedent)salaris;
Arbeidsongeschiktheid 4,8% van de nominale jaarinkoop;
Wezenopslag 1,0% van de actuarieel benodigde (risico)koopsom;
Solvabiliteitsopslag 0% van de nominale jaarinkoop.

3.2.3 Beleggingsbeleid

Algemeen
De doelstelling van het beleggingsbeleid is de ingelegde premies zo goed mogelijk te beleggen teneinde een optimaal rendement te behalen. Hierbij spelen risico, kwaliteit en diversificatie een belangrijke rol. Uitgangspunten bij het vaststellen van de beleggingsportefeuille zijn de aard en omvang van de verplichtingen, het risicobudget en de eisen die voortvloeien uit de pensioenwetgeving.

Asset Liability Management
Om te komen tot een optimale samenstelling van de assetmix van de portefeuille op hoofdlijnen is gebruikgemaakt van de uitkomsten van een Asset Liability Management (ALM)studie. In deze studie wordt rekening gehouden met het toeslagenbeleid, het premiebeleid en de pensioenverplichtingen. Zodoende worden het beleggingsbeleid, het financieringsbeleid en het pensioenbeleid op elkaar afgestemd. In 2022 is er een nieuwe ALM-studie uitgevoerd.

Matching- & returnportefeuilles
De inrichting van de portefeuillestructuur is gebaseerd op de doelstellingen en risicokaders van het pensioenfonds. De normwegingen van de portefeuillestructuur bestaan uit: 55% matchingportefeuille en 45% returnportefeuille.

Matchingportefeuille
De matchingportefeuille is primair gericht op de uitvoering van de strategische renteafdekking. Naast renteswaps worden in deze portefeuille beleggingen in obligaties en geldmarktfondsen aangehouden om onder andere te kunnen voldoen aan de ‘collateral’ (onderpand) verplichtingen van deze renteswaps. Er vindt dagelijkse bewaking van het onderpand plaats die wordt uitgevoerd door specialisten. Met deze portefeuille wordt geen outperformancedoelstelling nagestreefd. De benchmark voor de matchingportefeuille wordt opgesteld op basis van de jaarlijkse uitkeringsprognose. In samenwerking met de administrateur wordt maandelijks een aanpassing verwerkt op basis van de geschatte technische voorziening, balans en dekkingsgraad van het pensioenfonds.
De matchingportefeuille belegt daarnaast in bedrijfsobligaties, green bonds en hypotheken.

Returnportefeuille
De returnportefeuille beoogt de indexatieambitie van het pensioenfonds te realiseren en is gespreid over diverse beleggingscategorieën en regio’s. Daarbij wordt aansluiting gezocht met de visie voor het betreffende jaar en het verwachte economische regime. De portefeuille is belegd in hoogrentende bedrijfs- en staatsobligaties, aandelen, onroerend goed en private equity.

Strategische verdeling normportefeuille
Hieronder is de strategische verdeling voor 2022 weergegeven met de bijbehorende indices (de total return variant; inclusief nettodividend). 

MATCHINGPORTEFEUILLE    
Categorie Weging Benchmark
Nominale matching incl. cash 36,5% Combinatie geldmarktrendement, langlopende Nederlandse en Duitse staatsobligaties en renteswaps
Green Bonds 2,5% Barclays MSCI Euro Green Bond Index
Euro Bedrijfsobligaties 5,0% iBoxx Euro Corporates
NL Hypotheken 11,0% JPM GBI Traded Netherlands
Totaal 55,0%  
     
RETURNPORTEFEUILLE    
Categorie Weging Benchmark
Hoogrentende Obligaties 10,0%  
Hoogrentende Bedrijfsobligaties 3,5% BofA ML US High Yield Master II Index euro hedged
Obligaties Opkomende Markten HC 2,6% JP Morgan EMBI Global Diversified euro hedged
Obligaties Opkomende Markten LC 3,9% JPM GBI-EM Global Diversified
Aandelen 27,0%  
Wereldwijd en multifactor 23,0% MSCI World Climate Change Net (50%) en MSCI World Net (50%)
Opkomende Markten 4,0% MSCI Emerging Markets ND
Alternatieve beleggingen    
Niet beursgenoteerd onroerend goed 4,0% 37,5% Nederland, 32,5% Europa, 30% Verenigde Staten
Private Equity 4,0% 5-jaars euroswap +200 bp
Totaal 45,0%  

In hoofdstuk 4 ‘Beleggingen’ wordt nader ingegaan op de uitkomsten van de gemaakte beleidskeuzes.

3.3 Risicobeheer

3.3.1 Beleidsuitgangspunten en risicohouding

Kwalitatieve risicohouding financieel risico
Het Bestuur van het fonds heeft een risicobewuste houding. Het fonds streeft ernaar om de nominale aanspraken waardevast na te komen. Inflatie holt de waarde van de nominale uitkeringen uit en gezien het langetermijnkarakter van pensioenen is het belangrijk dat de koopkracht van het pensioen via toeslag behouden blijft. Beleggingsrisico kan acceptabel zijn in het streven naar koopkrachtbehoud, zelfs indien dit betekent dat de nominale aanspraken niet geheel kunnen worden nagekomen. 

  • Het opgebouwde pensioen vormt na pensionering een belangrijke bron van inkomen voor deelnemers van het fonds.
  • Er wordt gestreefd naar een stabiele premie en een stabiele opbouw.
  • Bij de afweging tussen de hoogte van het opbouwpercentage en de mate van indexatie prevaleert binnen redelijke grenzen de hoogte van het opbouwpercentage.
  • Het fonds streeft naar een zoveel mogelijk waardevast pensioen, dit met een minimale ambitie van 50% van de prijsindex.
  • Een afgewogen balans tussen de te nemen risico’s en het naar verwachting te realiseren beleggingsrendement is noodzakelijk om op langere termijn invulling te kunnen geven aan de pensioenambitie. Voor het nastreven van de pensioenambitie is het Bestuur bereid om beleggingsrisico te nemen en een beleggingsrendement na te streven dat hoger is dan de risicovrije marktrente. 
  • Bij slechte economische omstandigheden acht het Bestuur het uit te leggen dat volledige toekenning van toeslag niet realiseerbaar is. Het Bestuur streeft ernaar kortingen op de pensioenaanspraken en –uitkeringen zoveel mogelijk te voorkomen en als uiterste middel in te zetten. Daarbij is het uitgangspunt dat eventuele kortingen worden gespreid over de maximale hersteltermijn die binnen de wettelijke kaders mogelijk is.

De risicobereidheid van het Bestuur kan worden beïnvloed door de actuele financiële positie van het fonds. Periodiek wordt beoordeeld of de ambitie van de sociale partners nog haalbaar is. Het vasthouden aan een onmogelijke ambitie is immers niet zinvol. Bij de keuze voor een bepaald beleid wordt niet alleen een verwachte ontwikkeling beoordeeld maar ook scenario’s die gunstiger of minder gunstig zijn dan de verwachte ontwikkeling. De ambitie dient in de meeste scenario’s te kunnen worden behaald.

Risicobereidheid deelnemers
In 2019 is er een onderzoek geweest onder deelnemers waarin ook gekeken is naar de risicobereidheid. De uitkomsten waren vergelijkbaar met het voorgaande onderzoek uit 2014, waarbij de deelnemers aangaven het risicoprofiel bij voorkeur niet te willen verhogen. Het Bestuur heeft in de communicatie richting deelnemers sinds 2017 meer aandacht gegeven aan de voorlichting over beleggingsrisico’s, o.a. door berichtgeving op de website over de gestegen kans op korten als gevolg van de gedaalde dekkingsgraad. In 2022 heeft het Bestuur ten behoeve van het voorbereiden van de overgang naar de Wet toekomst pensioenen, opnieuw een onderzoek uitgevoerd naar de risicobereidheid onder deelnemers. Het Bestuur zal onder meer op basis hiervan het beleggingsbeleid gaan bepalen onder het nieuwe pensioenstelsel. 

Kwalitatieve risicohouding niet-financiële risico’s
Het Bestuur hanteert een lage risicotolerantie ten aanzien van niet-financiële risico’s, omdat deze naar verwachting niet worden beloond met een risicopremie. Bij de bepaling van de mate van beheersing van dergelijke risico’s maakt het Bestuur een afweging tussen de kans dat het risico zich voordoet, de mogelijke impact ervan en de kosten die gepaard gaan met de beheersing.

Kwantitatieve risicohouding
De kwantitatieve risicohouding wordt geconcretiseerd door de vaststelling van de volgende risicogrenzen:

  • het Vereist Eigen Vermogen voor de risicohouding voor de korte termijn, en
  • het pensioenresultaat in de haalbaarheidstoets voor de risicohouding voor de lange termijn.

Deze toets is voor ieder pensioenfonds verplichting op grond van wet- en regelgeving. In de aanvangshaalbaarheidstoets die in september 2015 is uitgevoerd is de risicohouding voor de lange termijn bepaald voor verwachtingen ten aanzien van het pensioenresultaat. Bij een overschrijding vindt er een beleidsdiscussie plaats. Risicogrenzen maken het mogelijk om op een vooraf vastgelegde en objectieve manier te beoordelen of het risico hoger of lager is dan vooraf is toegestaan. Echter, bij overschrijding van risicogrenzen zal geen automatische aanpassing van beleid plaatsvinden, maar een kwalitatieve discussie, rekening houdend met de situatie en inzichten van dat moment.

Het pensioenresultaat wordt als volgt bepaald: 

Het pensioenresultaat wordt per geboortecohort vastgesteld en vervolgens op basis van gewogen aantallen vertaald naar een pensioenresultaat op fondsniveau. Bij de vaststelling van dit pensioenresultaat wordt geen rekening gehouden met nieuwe toetreders, maar wel met toekomstige opbouw en ontslag- en pensioneringskansen van huidige actieven.

Het Bestuur heeft de volgende risicohouding (lange termijn) vastgesteld met betrekking tot het pensioenresultaat:

Ondergrens 1: Vanuit de situatie waarbij dekkingsgraad gelijk is aan Vereist Eigen Vermogen dient de mediaan van het pensioenresultaat ten minste gelijk te zijn aan 80%.

Ondergrens 2: Vanuit de feitelijke dekkingsgraad dient de mediaan van het pensioenresultaat ten minste gelijk te zijn aan 75%.

Ondergrens 3: Vanuit de feitelijke dekkingsgraad dient de maximale afwijking ten opzichte van de mediaan in het geval van een “slechtweerscenario” (lees: 5e percentiel) 35% te bedragen. 

Het Bestuur heeft de volgende risicohouding (korte termijn) vastgesteld met betrekking tot het Vereist Eigen Vermogen: het Vereist Eigen Vermogen afgeleid van de werkelijke assetmix van het fonds mag niet meer dan 2,5% (zowel positief als negatief) afwijken van het Vereist Eigen Vermogen afgeleid van de strategische assetmix.

  Grens Aanvangshaalbaarheidstoets 2015 Jaarlijkse haalbaarheidstoets 2021 Jaarlijkse haalbaarheidstoets 2022
Mediaan pensioenresultaat 75% 89% 82% 86%
Slecht-weer-scenario pensioenresultaat - 63% 62% 66%
Relatieve afwijking slecht-weerscenario 35% 30% 25% 23%

De resultaten van de haalbaarheidstoets 2022 liggen binnen de gestelde grenzen. Als gevolg van een hogere aanvangsdekkingsgraad, zijn de resultaten ten opzichte van 2021 verbeterd. 

Aanpassing risicoprofiel 
Het strategisch beleggingsbeleid van het pensioenfonds in 2022 is gebaseerd op ALM-studies uit 2015 en 2019. In 2022 is een nieuwe ALM-studie uitgevoerd. Sinds 2015 heeft het fonds de optie opengehouden tot eenmalige verhoging van het risicoprofiel, zodra het fonds geen dekkingstekort meer heeft. Eind 2022 heeft Bpf Bakkers geen dekkingstekort meer, maar is er nog steeds sprake van een reservetekort. Gelet op de uitkomsten van het risicopreferentieonderzoek onder deelnemers in 2022 ten behoeve van de Wet toekomst pensioenen en de beoogde termijnen voor overgang van het fonds naar het nieuwe pensioenstelsel, heeft het Bestuur eind 2022, mede op basis van de ALM-studie, besloten geen gebruik te maken van de mogelijkheid tot verhoging van het risicoprofiel.

3.3.2 Risicogovernance

Het pensioenfonds hecht belang aan een onafhankelijke inrichting van het risicomanagement. De inrichting van het onafhankelijk risicomanagement is gebaseerd op het idee van de drie verdedigingslinies. Dit gaat uit van adequate functiescheiding om te voorkomen dat risicolimieten overschreden worden en is in het volgende schema weergegeven. 

Sleutelfunctie Risicobeheer
In lijn met de IORP II-wetgeving heeft het pensioenfonds een sleutelfunctie Risicobeheer ingesteld bestaande uit een Sleutelfunctiehouder (Bestuurslid) en een vervuller. De Sleutelfunctie Risicobeheer, met ondersteuning van de Risicoadviescommissie, is verantwoordelijk voor overkoepelend risicobeleid. Voor specifieke risico’s worden daarnaast specialisten gebruikt, zoals de compliance en privacy officer. De taken en verantwoordelijkheden van de sleutelfunctie zijn opgenomen in het Risicobeleid van het pensioenfonds.

Risicoadviescommissie (RAC)
De Risicoadviescommissie ondersteunt de sleutelfunctie Risicobeheer. De houder van de sleutelfunctie Risicobeheer is tevens voorzitter van de Risicoadviescommissie (RAC). De samenstelling, taakomschrijving, vergaderfrequentie en ondersteuning van deze commissie zijn opgenomen in het huishoudelijk reglement. De RAC bereidt formeel het risicobeleid voor en geeft gevraagd en ongevraagd advies aan het Bestuur over de onderwerpen gerelateerd aan risicomanagement. Minimaal één maal per kwartaal komt deze commissie bijeen. De leden van de Risicoadviescommissie rapporteren aan het voltallige Bestuur over de benoemde aangelegenheden, uitmondend in een advies waarna het Bestuur op basis van die rapportages en adviezen beslissingen kan nemen. 

Externe Oversight manager 
Ortec Finance fungeert als vervuller van de sleutelfunctie Risicobeheer en ondersteunt het Bestuur op het gebied van risicomanagement en houdt toezicht op de uitbestede diensten. Hierbij gaat Ortec Finance na of de dienstverlening wordt uitgevoerd conform het beleid en conform de afspraken die gemaakt zijn in contracten en Service Level Agreements. Ortec Finance ondersteunt daarnaast het Bestuur in besluitvorming door het opstellen van onafhankelijke oplegnotities bij voorstellen en adviezen die door de adviserend actuaris (Sprenkels), fiduciair manager (NN IP) en pensioenuitvoerder (TKP) aan het Bestuur ter besluitvorming worden voorgelegd. Ten slotte stelt Ortec Finance maandelijks en op kwartaalbasis een Integraal Risicodashboard op, op basis waarvan het Bestuur zowel de financiële als niet-financiële risico’s monitort. Het Bestuur is en blijft eindverantwoordelijk voor de beslissingen die het neemt. 

‘Soft controls’ en risicobewustzijn
Ortec Finance levert ieder maand een Integraal Risicodashboard op en op kwartaalbasis een uitgebreide versie. Dit bevordert het risicobewustzijn bij Bestuursleden. Daarnaast is er bij nieuwe besluitvorming op bijvoorbeeld beleggingsonderwerpen altijd ruim aandacht voor de risico-aspecten, o.a. op basis van de notities vanuit Ortec Finance. De Sleutelfunctie Risicobeheer geeft bij alle materiële bestuursbesluiten een advies vanuit risico-oogpunt. 

Onafhankelijk risicomanagement binnen uitvoeringsorganisaties
Het pensioenfonds heeft een belangrijk deel van haar werkzaamheden uitbesteed aan externe partijen. De belangrijkste uitbestedingspartijen zijn de pensioenuitvoerder (TKP), fiduciair manager (NN IP) en custodian (BNYM). In het Uitbestedingsbeleid heeft het pensioenfonds de voorwaarden vastgelegd waaraan uitbestedingspartijen moeten voldoen, inclusief eisen ten aanzien van risicomanagement. Het is gebruikelijk binnen financiële ondernemingen en andere uitvoeringsorganisaties om in de eigen organisatie tevens een functiescheiding conform het model van drie verdedigingslinies aan te houden. In lijn met het uitbestedingsbeleid van het pensioenfonds is dit ook het geval binnen de organisatie van de fiduciair manager en de pensioenuitvoerder. Daarnaast leveren de uitvoeringsorganisaties informatie aan ten behoeve van het risicomanagement, o.a. via periodieke rapportages.

3.3.3 Risico-identificatie en beheersmaatregelen

Risicobereidheid
De mate waarin het fonds bereid is risico te nemen, is onder andere gebaseerd op de volgende kwalitatieve overwegingen/policies/beliefs die zijn afgestemd met de sociale partners:

  • Het opgebouwde pensioen vormt na pensionering een belangrijke bron van inkomen voor deelnemers van het fonds.
  • Er wordt gestreefd naar een stabiele premie en een stabiele opbouw.
  • Bij de afweging tussen hoogte van het opbouwpercentage en de mate van indexatie prevaleert binnen redelijke grenzen de hoogte van het opbouwpercentage.
  • Het fonds streeft naar een zoveel mogelijk waardevast pensioen, dit met een minimale ambitie van 50% van de prijsindex.
  • Een afgewogen balans tussen de te nemen risico’s en het naar verwachting te realiseren beleggingsrendement is noodzakelijk om op langere termijn invulling te kunnen geven aan de pensioenambitie. Voor het nastreven van de pensioenambitie is het Bestuur bereid om beleggingsrisico te nemen en een beleggingsrendement na te streven dat hoger is dan de risicovrije marktrente.
  • Bij slechte economische omstandigheden acht het Bestuur het uit te leggen dat volledige toekenning van toeslag niet realiseerbaar is. Het Bestuur streeft ernaar kortingen op de pensioenaanspraken en –uitkeringen zoveel mogelijk te voorkomen en als uiterste middel in te zetten. Daarbij is het uitgangspunt dat eventuele kortingen over de maximale hersteltermijn die binnen de wettelijke kaders mogelijk is worden gespreid.

Tevens heeft het Bestuur de volgende uitgangspunten bepaald t.a.v. de risicohouding inzake niet-financiële risico’s:

  • Het Bestuur streeft naar een goede reputatie en betrouwbaarheid teneinde het draagvlak voor de uitvoering van de eigen regeling te behouden en verder te versterken. Het Bestuur besteedt daarom alleen werkzaamheden uit aan integere en professionele partijen.
  • Het Bestuur heeft een strikte gedragscode waar verbonden personen aan gebonden zijn. Alle verbonden personen voldoen aan eisen met betrekking tot integriteit, deskundigheid en professionaliteit. Het Bestuur accepteert geen risico’s met betrekking tot het niet naleven hiervan.
  • Het Bestuur hecht waarde aan bewustwording omtrent integriteitsrisico’s en voert daarom periodiek een uitgebreide systematische integriteitsrisicoanalyse uit (de zogenaamde ‘ SIRA’). 
  • Het Bestuur bewaakt en monitort de uitbestedingsrisico’s door middel van verschillende rapportages, waaronder het Integraal Risicodashboard. Het beheersen van niet-financiële risico’s gaat gepaard met kosten. De mate van beheersing wordt daarom altijd bezien in relatie tot de kosten, waarbij het Bestuur geen bovenmatige risico’s accepteert.

Vanuit bovenstaande risicohouding heeft het fonds voor ieder geïdentificeerd risico is een risicobereidheid vastgesteld, die aangeeft welk restrisico het fonds voor ieder risico acceptabel acht. 

Risicobeheersingsproces
De risico’s voor het fonds, het beleid, de beheersing en de monitoring hiervan zijn beschreven in het Risicobeleid. De belangrijkste risico’s worden ook in de ABTN toegelicht. In de ABTN heeft het Fonds ook een crisisplan opgenomen. Het crisisplan voorziet zowel in een financiële crisis (conform wettelijke vereisten) als een meer generieke crisissituatie, zoals een pandemie. In het beleid maakt het fonds onderscheid tussen strategische, financiële en niet-financiële risico’s. Voor ieder risico worden periodiek risicobeoordelingen gemaakt, waarin gekeken wordt naar relevante risicoscenario’s, de kans en impact van het optreden van een dergelijk scenario eventuele beheersmaatregelen en het resterende risico na de beheersmaatregelen. Indien het resterende risico groter is dan de risicobereidheid, wordt gekeken of en welke aanvullende beheersmaatregelen mogelijk zijn. Eventuele toepassing van extra beheersmaatregelen is een afweging tussen de mate van risicoreductie en kosten.

Risicoscores
Methodiek

Om tot een consistente beoordeling van risico’s te komen, heeft het fonds in 2022 de schalen voor de scoring op kans en impact nader gedefinieerd. Deze getallen vormen een indicatie van de kans en impact en bieden de mogelijkheid ook de totale impact (kans x impact) te kwantificeren.

Kans Beschrijving Definitie Indicatie kans optreden risico in 1 jaar
1 Laag Onwaarschijnlijk dat het risico zich voordoet in de komende 5 jaar <20%
2 Beperkt Het risico doet zich mogelijk voor in de komende 2 tot 5 jaar 20%-50%
3 Aanzienlijk Het risico komt mogelijk elk jaar voor, of zeer waarschijnlijk op lange termijn 50%-80%
4 Hoog Het risico treedt redelijkerwijs binnen een half jaar op, of met zekerheid op de lange termijn 80%-100%
Impact Beschrijving Definitie Indicatie Impact financieel risico (daling DG) Indicatie Impact niet-financieel risico (% begroting )
1 Laag Nauwelijks impact op financiële situatie en/of reputatie <2% <2%
2 Beperkt Enige financiële schade en/of licht beschadigde reputatie 2%-5% 2%-5%
3 Aanzienlijk Significante financiële schade en/of beschadigde reputatie 5%-10% 5%-10%
4 Hoog Ernstige impact op financiële situatie en/of reputatie: missie, visie en strategie kunnen niet worden gerealiseerd >10% >10%

Het Bestuur beoordeelt ten minste jaarlijkse de scores van de diverse geïdentificeerde risico’s. Onderstaande figuur geeft hiervan een overzicht.

Categorie Netto risico Financiële risico’s Niet-financiële risico’s
A 1x2=2   IT-risico (ex cyber), Communicatierisico
B 2x1=2 Actief risico, Valutarisico, Tegenpartijrisico, Concentratierisico, Liquiditeitsrisico, Verzekeringstechnisch risico Integriteitsriscio, juridisch en fiscaal risico, uitbestedingsrisico
C 1x3=3    
D 2x2=4   IT-risico (cyber), Operationeel risico, ESG-risico
E 3x2=6 Kredietrisico, Inflatierisico  
F 3x3=9 Marktrisico, Renterisico Strategisch risico
G 3x4=12 Balansrisico  

De belangrijkste risico’s (die met een score van meer dan 6, of buiten de risicobereidheid), zijn in bovenstaande tabel vetgedrukt en hieronder nader toegelicht.

  • Strategisch risico: 
    Het strategisch risico betreft het risico dat het pensioenfonds om welke reden dan ook, niet in staat is haar strategische doelstellingen zoals verwoord in de missie, visie en strategie te realiseren. Hieronder worden ook risico’s verstaan ten aanzien van de omgeving en governance van het fonds. Door de gestegen dekkingsgraad is het risico van het korten van pensioenuitkeringen op de korte termijn fors gedaald. Daartegenover staat dat de omgevingsrisico’s, en dan met name de risico’s met betrekking tot een beheerste transitie naar het nieuwe pensioenstelsel fors zijn toegenomen. Vanuit de strategie van het fonds, zoals herijkt in 2022, wil het fonds als een van de eerste fondsen overgaan naar het nieuwe pensioenstelsel (Wtp). Dit vraagt om substantiële veranderingen in de pensioenregeling en pensioenuitvoering (processen en systemen), alsook bijbehorende communicatie met deelnemers en de sociale partners. Het fonds monitort de voortgang op dit project, alsook de bijbehorende risico’s nauwgezet.
  • Solvabiliteits- / Balansrisico:
    Een belangrijk risico is dat het pensioenfonds niet beschikt over voldoende vermogen om de pensioenverplichtingen na te kunnen komen, ook wel het solvabiliteitsrisico genoemd. Als de solvabiliteit zich negatief ontwikkelt, kan het pensioenfonds de premie verhogen binnen de kaders van de uitvoeringsovereenkomst en kan er geen of minder ruimte voor toeslagverlening zijn. In het uiterste geval kan het noodzakelijk zijn voor het pensioenfonds om pensioenaanspraken en pensioenrechten te korten. De solvabiliteit van een pensioenfonds wordt gemeten op basis van de hoogte van de dekkingsgraad van het pensioenfonds. In 2022 is de beleidsdekkingsgraad gestegen van 98,2% per 1 januari 2022 tot 109,0% per 31 december 2022. De actuele dekkingsgraad liet gedurende vrijwel het gehele jaar een positieve ontwikkeling zien. Hierdoor is het risico van kortingen op bestaande aanspraken fors gedaald. Echter de economische ontwikkelingen en financiële markten waren in 2022 volatiel, waardoor de onzekerheid over toekomstige rendementen  is toegenomen. Met het oog op de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel, is het fonds voorzichtig met het nemen van beleggingsrisico. In 2022 is een nieuwe ALM-studie uitgevoerd, waaruit geen verschuivingen in de verhouding tussen zakelijke en vastrentende waarden naar voren kwamen.
  • Renterisico:  Het renterisico is het risico dat de waarde van de beleggingen en de waarde van de pensioenverplichtingen veranderen als gevolg van veranderingen in de marktrente. Maatstaf voor het meten van rentegevoeligheid is de DV01. Dit is de waardeverandering van een instrument bij een verandering in de rente van 0,01%. Het fonds heeft voor de beheersing van het renterisico een staffel opgesteld, waarbij de het renterisico verder wordt afgedekt naarmate de rente stijgt. Omdat het renterisico niet volledig wordt afgedekt, heeft de rentestijging in 2022 een positief effect gehad op de dekkingsgraad van het fonds. Door de sterke stijging van de rente, rees ook de vraag of de uitgangspunten waarop de bestaande rentestaffel was gebaseerd nog valide waren. Dit heeft ertoe geleid dat het fonds, onderbouwd, de renteafdekking minder snel heeft verhoogd dan op basis van de geldende staffel was voorzien. Op basis van een nieuwe ALM-studie in 2022 alsook de vooruitzichten van de fiduciair manager NN IP, heeft het fonds eind 2022 een herziene staffel vastgesteld. 

De matchingportefeuille is gericht op het afdekken van het renterisico en bestaat uit een LDI (Liability driven investing) portefeuille, bedrijfsleningen, groene obligaties (green bonds) en de hypotheekbeleggingen, alle in euro. De LDI-portefeuille wordt geheel in staatsobligaties en staatsgerelateerde obligaties belegd met een minimale kredietrating van AA van een van de bekende ratingbureaus, aangevuld met beleggingen in geldmarktinstrumenten en renteswaps met een beperkt aantal solide tegenpartijen, waarbij dagelijks onderpand wordt uitgewisseld. Daarnaast wordt bij de renteafdekking rekening gehouden met de rentegevoeligheid over verschillende looptijden. De bewaking van de renteafdekking vindt plaats op dagelijkse basis.

  • Marktrisico (koersrisico): 
    Marktrisico is het risico dat de marktprijs van financiële instrumenten en effecten daalt. Dit wordt veroorzaakt door factoren die samenhangen met een individuele belegging, de uitgevende instelling of generieke factoren. Wijzigingen in marktomstandigheden hebben altijd direct invloed op het beleggingsresultaat, omdat alle beleggingen worden gewaardeerd op hun actuele waarde waarbij waardeveranderingen onmiddellijk worden verwerkt in het saldo van baten en lasten. Alhoewel marktrisico een negatief rendement opleverde in 2022, was de daling minder sterk dan de waarde van de verplichtingen, waardoor het marktrisico toch positief bijdroeg aan de dekkingsgraadontwikkeling van het fonds.

Het pensioenfonds neemt bewust marktrisico’s omdat hier een risicopremie tegenover staat en daarmee een hoger rendement wordt verwacht dan de risicovrije rentevoet. Het koersrisico van met name de returnportefeuille (aandelen, hoogrentende obligaties, vastgoed en private equity) wordt beheerst door middel van diversificatie over verschillende beleggingscategorieën, volgens de overeengekomen beleggingsrichtlijnen. Bovendien wordt binnen elke beleggingscategorie een zorgvuldige spreiding over individuele effecten of andere beleggingsobjecten gewaarborgd, zodat de beleggingsportefeuille als geheel nooit bovenmatig wordt blootgesteld aan het koersrisico van één of enkele specifieke beleggingen.

De monitoring van het koersrisico vindt plaats op dagelijkse basis door de fiduciair manager, waarbij niet alleen de actuele posities, maar ook diverse stress-scenario’s in ogenschouw worden genomen met een schatting van het risicoprofiel van de beleggingsportefeuille en van de balans van het pensioenfonds.  

  •  Kredietrisico:
    Het pensioenfonds neemt bewust kredietrisico door het kopen van obligaties van diverse overheden en bedrijven omdat hier een risicopremie tegenover staat en daarmee een hogere return dan de risicovrije rente wordt verwacht. Dit risico wordt onder controle gebracht door enerzijds een zorgvuldige selectie van individuele effecten, landen en ondernemingen op basis van kredietwaardigheid en verhandelbaarheid. De vastrentende waardenportefeuille is belegd in Europese staats- en staatsgerelateerde leningen, Nederlandse hypotheken en bedrijfsleningen met een minimale rating van BBB. Er is een beperkte allocatie opgenomen naar hoogrentende leningen in de returnportefeuille. Er wordt voldoende spreiding in acht genomen bij de portefeuilleconstructie zodat nooit te veel schade kan worden opgelopen indien ondanks alles een uitgevende instelling toch in de problemen komt.
  • Inflatierisico: 
    Inflatierisico is het risico op koopkrachtverlies en/of waardeverlies op beleggingen, als gevolg van inflatie. Over 2022 is de inflatie fors gestegen. Dit heeft zijn weerslag gehad op de financiële markten: rentes stegen sterk, doordat centrale banken een monetaire verkrapping doorvoeren (stoppen opkoopprogramma’s) en hun beleidsrentes verhoogden. Een onvolledige renteafdekking is in de ogen van het fonds een beheersmaatregel tegen inflatierisico, die in 2022 heeft gewerkt. Door de gestegen dekkingsgraad is het in staat geweest een beperkte toeslag van 1% door te voeren per 1 januari 2023. Verdere beheersing van het inflatierisico is kostbaar en gaat ten koste van de nominale zekerheid van bestaande pensioenaanspraken (kortingsrisico). 
  • ESG-risico: 
    ESG-risico is het risico op schade als gevolg van milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen in relatie tot de beleggingsportefeuille en het beheer daarvan. Het fonds streeft naar een gedegen beheersing van dit risico, in lijn met de Good Practice ESG-risicobeheersing van DNB. Hiertoe stelt het fonds een risico-assessment en een ESG-beleid op. Uit de jaarlijkse update van de ESG-risico-assessment kwam naar voren dat er op twee aspecten een restrisico was dat buiten de bestaande risicobereidheid viel:

- De datakwaliteit op ESG-gebied is nog onvoldoende om over de gehele beleggingsportefeuille ESG-risico’s en -doelstelling volledig te integreren. Het fonds verwacht wel dat in de komende jaren, mede door nieuwe wettelijke eisen aan zowel financiële instellingen als aan bedrijven, de datakwaliteit gaat toenemen. Derhalve wordt er nu nog geen aanvullende actie ondernomen, ook al omdat er substantiële  kosten gemoeid zijn met ESG-data.
- Het fonds heeft nog geen aanvullend beleid vastgesteld, naast wettelijke sancties, ten aanzien van investeringen in landen. Hiermee is er een risico dat kapitaal wordt verstrekt aan landen die onvoldoende aandacht hebben voor ESG aspecten, zoals mensenrechten. De mogelijkheden voor aanvullend landenbeleid worden in 2023 nader onderzocht door de Beleggingsadviescommissie.

Risicomonitoring

Risico’s zijn veranderlijk over tijd, zowel qua identificatie als kans en impact van optreden. Het fonds hanteert daarom een monitoringscyclus voor alle risico’s, waarbij deze ten minste op kwartaalbasis worden beoordeeld door de Sleutelfunctie Risicobeheer. Daarnaast wordt er, afhankelijk van de mate van verandering in het risico, met een frequentie van ten minste 1 tot 3 jaar een uitgebreide analyse van het risico gemaakt door aangewezen eigenaren van risico’s. Indien uit de rapportages of analyse blijkt dat risico’s buiten de gehanteerde tolerantie voor desbetreffende risico’s komen, wordt door het Bestuur besloten over eventuele aanvullende beheersmaatregelen.

De risicobeheersmaatregelen die uit de diverse risico-analyses naar voren komen, worden jaarlijks getoetst op uitvoering en effectiviteit. De bevindingen uit de toetsing per einde 2021 zijn in 2022 opgepakt en grotendeels afgerond. Uit de beoordeling per einde 2022 komen enkele opmerkingen naar voren, maar deze zijn geen van alle niet zwaarwegend.

3.3.4 Risicobeheer in 2022

Niet helemaal 'back to normal'

In 2022 kwam een einde aan de COVID-19 pandemie en de bijbehorende beperkingen. Dit resulteerde in de eerste maanden van 2022 in een omgeving waarin het fonds zich kon concentreren op de strategische projecten, en voor de rest sprake was van business as usual.  Begin 2022 werd de wereld echter geconfronteerd met een Russische inval in Oekraïne. Het fonds heeft bij uitbraak van de oorlog, een risicoassessment opgesteld. Hierin is naast de impact op de financiële markten, ook gekeken naar bijvoorbeeld de extra risico’s ten aanzien van de  sanctiewetgeving, cyberaanvallen en de kwetsbaarheid van de  bakkerijsector, die last heeft van stijgende energie- en grondstofprijzen.

De oorlog in Oekraïne versterkte de inflatiestijging die was ontstaan na het opheffen van de COVID-restricties. Door de sterke stijging van de inflatie, werd het inflatierisico daarmee weer actueel in 2022. Deze sterke stijging van de inflatie zorgde ook sterke stijgingen in de nominale rentes. Omdat het fonds het renterisico niet volledig afdekte, leidde dat tot een sterke stijging van de dekkingsgraad gedurende 2022. Dit heeft ertoe geleid dat het fonds per einde 2022, een beperkte indexatie heeft kunnen toekennen. In dit besluit is nadrukkelijk rekening gehouden met de risico’s die het fonds onderkent ten aanzien van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel en het bijbehorende invaren van bestaande pensioenaanspraken.

Voorbereiding op de toekomst

Naast de reguliere werkzaamheden stond 2022 in het teken van de voorbereidingen op de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel en  het toekomstige samengaan met Bpf Zoetwaren. Hierbij is vanuit risicoperspectief gekeken naar de ontwikkelingen ten aanzien van de nieuwe pensioenregeling, de benodigde veranderingen bij uitbestedingspartijen en de keuze van het fonds om als ‘launching customer’ te fungeren voor het Wtp-traject bij TKP, o.a. via het opstellen of bijdragen aan RSA’s op de Wtp en het samengaan van Bpf Bakkers en Bpf Zoetwaren.

In het kader van de transitie heeft het fonds deelgenomen aan een onderzoek van DNB naar de operationele wendbaarheid. De aanbevelingen van DNB naar aanleiding van dit onderzoek zijn erkend door het Bestuur en worden verder opgepakt in 2023, voor zover dat niet al was gebeurd.

Behaalde resultaten in 2022

In 2022 zijn o.a. de volgende zaken opgeleverd, die bijdragen aan het risicobeheer binnen het fonds.

  • Beleidsmatig: reguliere updates van risico- en IT-beleid, start herziening beleid Datakwaliteit, opstellen triggers tussentijdse ERB.
  • Uitvoerend: diverse RSA’s opgesteld, waaronder voor ESG- en IT-risico en de overname van NN IP door GSAM.
  • Monitoring: doorontwikkeling van risicorapportage naar continue toetsing aan risicobereidheid.
  • Uitbestedingsrisico:
  1. Monitoring van ontwikkelingen op risicogebied bij uitbestedingspartijen. Er is o.a. met NN IP gesproken over het uitbestedingsbeleid van NN IP (onderuitbestedingen voor het fonds) en met TKP over de cyberweerbaarheid van TKP.
  2. Incidenten: er zijn diverse incidenten in de uitvoering door uitbestedingspartijen gemeld. Het meest ernstige incident betrof een te late annulering van een onttrekking uit de beleggingsportefeuille. Dit leidde tot extra transacties en gemist rendement. Omdat dit incident een substantiële schade opleverde voor het fonds, is de verantwoordelijke uitbestedingspartij aansprakelijk gesteld.

3.4 Interne Audit in 2022

1. Algemeen

KPMG Advisory N.V. (KPMG) is in 2022 het aanspreekpunt voor de rol van vervuller interne audit geweest. 

De werkzaamheden van de Interne Auditfunctie (IAF) van Bpf Bakkers worden ingevuld in nauwe samenwerking met de IAF van Bpf Zoetwaren. Hiertoe vindt regelmatig overleg en afstemming plaats met de sleutelfunctiehouder Interne Audit (SFH IA) van Bpf Zoetwaren en KPMG.

De activiteiten zoals opgenomen in het auditplan 2022 zijn voor wat betreft de eigen review audit en quick scan gerealiseerd. Ultimo 2022 is één audit in het kader van multi-cliënt audit TKP (hierna: MCA-TKP) gerealiseerd in plaats van de geplande drie (waarvan er twee onder voorbehoud waren).

 2. Activiteiten door IAF 

a. Audit Uitbestedingsproces vermogensbeheer
In het voorjaar van 2022 is door de IAF een review audit uitgevoerd van het uitbestedingsproces van het vermogensbeheer. Het doel van deze interne audit was het toetsen op de naleving van het normenkader ten aanzien van de uitbesteding aan de fiduciair manager vermogensbeheer, de custodian en een selectie van vermogensbeheerders. Het normenkader van deze audit is gebaseerd op de door DNB gepubliceerde Guidance “Uitbesteding door pensioenfondsen”.

Op basis van de bevindingen is het eindoordeel van de audit “Voldoende”. Op grond van de verrichte werkzaamheden is één bevinding gerapporteerd met als weging “Midden” en acht met de weging “Laag”. Bij alle bevindingen is een aanbeveling verstrekt evenals een managementreactie waarin het Bestuur heeft aangegeven of en op welke wijze de opvolging plaatsvindt.

De Beleggingsadviescommissie (BAC) heeft een eerste managementreactie voorgesteld bij de gegeven aanbevelingen, waarna op 17 juni 2022 het conceptrapport is besproken door het Bestuur. Naar aanleiding van deze vergadering is de managementreactie door de BAC aangepast, welke geaccordeerd is door het Bestuur, waarna het rapport definitief is gemaakt op 4 juli 2022.

 b. Quick scan projectorganisatie nieuw pensioenstelsel
In het najaar van 2022 is door de IAF een quick scan uitgevoerd op de projectorganisatie nieuw pensioenstelsel. Het doel van deze activiteit is door middel van observaties het Bestuur tijdens de transitie inzichten te bieden die het Bestuur bij het vervolg van het project kan betrekken. Binnen deze quick scan is bekeken of de pensioenfondsen de belangrijkste zeven elementen, zoals door DNB benoemd in de periodieke uitvragen Nieuwe Pensioenregeling (NPR), voldoende in de projectorganisatie heeft geborgd en in welke mate het pensioenfonds hierbij de Plan-Do-Check-Act (PDCA) cyclus heeft gevolgd.

De quick scan heeft geresulteerd in observaties, inzichten en adviezen voor de zeven genoemde elementen. Het rapport is op 9 december 2022 besproken door het Bestuur. Het Bestuur herkent zich in de uitkomsten. De adviezen worden door de voorbereidingsgroep nieuw pensioenstelsel nader uitgewerkt.

 3. Auditactiviteiten in het kader van MCA-TKP

a. Multi-cliënt audit TKP Algemeen
In 2022 is er ten aanzien van het uitvoeren van audits bij TKP verdere invulling gegeven aan de samenwerking tussen pensioenfondsen die klant zijn bij TKP. Gedurende 2022 heeft TKP de MCA-groep over diverse onderwerpen geïnformeerd. Dit waren onder andere:

  • Aanpassing ISAE3402 voor 2021;
  • Wtp Continuous auditing;
  • Wtp risicorapportage;
  • DNB onderzoeken.

b. Multi-cliënt audit TKP auditplan 2022
Op basis van een risicoanalyse is een MCA auditplan 2022 samengesteld. De IAF heeft hiervoor input geleverd. Drie onderwerpen zijn in het auditplan opgenomen waarvan twee voorwaardelijk. Het betroffen de volgende onderwerpen:

  • Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie;
  • Werking beheersmaatregelen cloud (voorwaardelijk);
  • Programma-assurance implementatie Wet toekomst pensioenen (voorwaardelijk).

 Namens het pensioenfonds heeft de IAF aangegeven te willen deelnemen aan de audit Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie.

Omdat nog onvoldoende modules en fondsen gemigreerd zijn naar de cloud-omgeving van AWS, is de audit Werking beheersmaatregelen cloud uitgesteld.

De Programma-assurance implementatie Wet toekomst pensioenen is onderdeel geworden van het Wtp Continuous auditing programma van TKP (horizontale en verticale assessments) dat in 2022 is opgestart en daarom is er geen aparte audit uitgevoerd.

 c. Multicliënt audit TKP Beheersing EUC en handmatige werkzaamheden
De audit Beheersing EUC en handmatige werkzaamheden is namens de SFH’s van de aangesloten pensioenfondsen uitgevoerd door BDO. Het betreft een audit die gepland was voor 2021 en in januari 2022 is gestart. Op 24 mei 2022 is hierover het definitieve rapport uitgebracht. De conclusie van de audit is dat TKP in opzet, bestaan en werking onvoldoende aantoonbaar in control is ten aanzien van de interne beheersing van EUC oplossingen en handmatige mutaties. Dit onderkent TKP. Tijdens de werkzaamheden bleek dat niet alle EUC’s door TKP als EUC zijn aangemerkt doordat TKP tijdens de audit de definitie van EUC’s heeft gewijzigd. BDO heeft de pensioenfondsen geadviseerd om het restrisico te bepalen voor de engere definitie van EUC’s en daarover in gesprek te gaan met TKP.

Het management van TKP geeft aan de geconstateerde punten te herkennen en voor deze punten verbeteracties uit te voeren en te monitoren. Met name voor wat betreft de definitie van EUC’s verschilt TKP van mening met de auditor, zoals hierboven beschreven.

Over deze audit is door de IAF een afzonderlijke notitie met suggestie, naar aanleiding van de aanbevelingen van BDO, opgesteld en verstrekt aan het Bestuur. De suggestie richt zich met name op het innemen van een standpunt over de definitie van EUC’s door TKP.

d. Multicliënt audit TKP Totstandkoming niet–financiële verantwoordingsinformatie
De audit Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie is namens de SFH’s van de aangesloten pensioenfondsen uitgevoerd door BDO. Op 23 november 2022 is hierover het definitieve rapport uitgebracht. De conclusie van de audit dat TKP op onderdelen voldoende waarborgen heeft ingericht om de rapportages juist, tijdig en volledig op te stellen. BDO stelt echter vast dat het hierbij ontbreekt aan geformaliseerde controlemaatregelen, uitgewerkte procesbeschrijvingen, vastlegging van uitgevoerde controles en specifieke beheersmaatregelen (ten aanzien van tweedelijns monitoring en interne evaluatie). Tevens is vastgesteld dat processen eerst worden ingericht, voordat deze worden uitgeschreven en geformaliseerd. Op basis van het bovenstaande concludeert BDO dat een restrisico resteert. Het management van TKP geeft aan zich in de bevindingen en conclusies te kunnen vinden en hiervoor verbeteracties uit te voeren. TKP geeft aan dat de acties op korte termijn SMART zullen worden gemaakt.

Over deze audit is door de IAF een afzonderlijke notitie met reactie, naar aanleiding van de aanbevelingen van BDO, opgesteld, die in januari 2023 is gedeeld met het Bestuur. De reactie richt zich met name op het ontbreken van concrete acties in het rapport, waardoor wij als klant minder goed in staat zijn de voortgang en afronding van de verbeteracties te monitoren.

 4. Overige activiteiten door IAF

  • In 2022 heeft de SFH IA een opzet gemaakt voor een register waarin bevindingen en aanbevelingen van eigen audits en MCA TKP audits worden vastgelegd. De Risicoadviescommissie (eigen audits) en Pensioen Uitbesteding adviescommissie (MCA TKP audits) monitoren de voortgang van de opvolging van de aanbevelingen middels dit register.
  • Op 11 april 2022 heeft de SFH IA met de externe accountant gesproken over het interne auditplan 2022 en de voortgang van het jaarwerk 2021. Dit overleg heeft samen met de SFH IA van Bpf Zoetwaren plaatsgevonden.
  • Op 23 september 2022 heeft een evaluatie van de dienstverlening van KPMG plaatsgevonden. Hierbij waren namens Bpf Bakkers de werkgeversvoorzitter van het Bestuur en de SFH IA aanwezig. Namens Bpf Zoetwaren waren de voorzitter van de PUAC en de SFH IA aanwezig. Belangrijke onderwerpen waren de uitvoering van de interne audit van het uitbestedingsproces vermogensbeheer en de door KPMG gehanteerde tarieven.
  • In het najaar van 2022 is samen met Bpf Zoetwaren het Handboek IAF geactualiseerd. Hierdoor gebruiken Bpf Bakkers en Bpf Zoetwaren hetzelfde Handboek IAF.
  • In het najaar van 2022 heeft de SFH IA twee bijeenkomsten van het Kennisplatform Sleutelfunctiehouders van de Pensioenfederatie bijgewoond.
  • Het interne auditcharter is geactualiseerd. Dit betrof met name aanscherpingen in de tekst. Het geactualiseerde interne auditcharter is door het Bestuur vastgesteld tijdens de bestuursvergadering van 4 november 2022.
  • Op 20 december 2022 heeft de SFH IA met de externe accountant gesproken over het interne auditplan 2023 en de voorbereiding van het jaarwerk 2022. Tevens is de accountant geïnformeerd over de uitkomsten van de audit uitbestedingsproces vermogensbeheer, de quick scan projectorganisatie nieuw pensioenstelsel en de opvolging van de aanbevelingen door het Bestuur. Eveneens is met elkaar van gedachten gewisseld over de rol van de externe accountant voor wat betreft de datakwaliteit in het kader van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Ook dit overleg heeft samen met de SFH IA van Bpf Zoetwaren plaatsgevonden.
  • Op 22 december 2022 heeft de SFH IA na afstemming met de eerste en tweede lijn van het pensioenfonds diverse onderwerpen voor verticale assessments als onderdeel van het in 2023 uit te voeren Wtp Continuous auditing programma van TKP ingebracht bij de derde lijn van het Wtp programma binnen TKP.

 5.      Auditplannen 2023

 a.      Auditplan 2023 Bpf Bakkers
Na beoordeling van het bestaande meerjarenplan, bestudering van diverse fondsdocumenten, het in acht nemen van actuele en relevante onderwerpen en overleg met de SFH IA van Bpf Zoetwaren, zijn een auditplan voor 2023 en meerjarenplan 2023-2025 opgesteld. Het auditplan 2023 en meerjarenplan 2023-2025 zijn in concept besproken tijdens de bestuursvergadering van 4 november 2022 en definitief vastgesteld in de bestuursvergadering van 9 december 2022.

De geplande werkzaamheden bestaan enerzijds uit algemene interne auditactiviteiten en anderzijds uit het uitvoeren van interne audits. Voor wat betreft het uitvoeren van interne audits is een review audit IT inclusief informatiebeveiliging en cybersecurity gepland. Daarnaast zijn twee multi-cliënt audits bij TKP voorzien.

b.      Multi-cliënt audit TKP auditplan 2023
Op basis van een risicoanalyse is een MCA auditplan 2023 samengesteld. De IAF heeft hiervoor input geleverd. Het MCA auditplan 2023 is in november 2022 vastgesteld. In het plan zijn de volgende vier onderwerpen opgenomen:

  1. Informatiebeveiliging;
  2. Interne beheersing;
  3. Third Party Management – DORA readiness;
  4. Werking beheersmaatregelen cloud (voorwaardelijk).

Onderwerp 4 is voorwaardelijk in het plan opgenomen omdat dit afhankelijk is van of de interne auditfunctie van Aegon Nederland (IAN) een vergelijkbare audit uitvoert. Voorwaarde is wel dat de klanten dan op een bevredigende manier inzicht krijgen in de scope en resultaten van de door IAN uit te voeren audit.

In januari 2023 is gebleken dat onderwerp 1 waarschijnlijk vervalt omdat TKP heeft besloten om met ingang van boekjaar 2023 middels een ISAE 3000-rapportage assurance te verschaffen over informatiebeveiliging.

De SFH IA heeft in december 2021 van het Bestuur toestemming gekregen zelf keuzes te maken ten aanzien van deelname aan de multicliënt audits bij TKP. Het auditplan van het pensioenfonds biedt hiervoor het mandaat.

 6.      Status aanbevelingen en verbetermaatregelen

Ultimo 2021 stonden geen aanbevelingen open. In 2022 zijn door de IAF een review audit Uitbestedingsproces van het vermogensbeheer en een quick scan projectorganisatie nieuw pensioenstelsel uitgevoerd. De review audit leverde acht aanbevelingen op waarvan ons is medegedeeld dat er vijf aanbevelingen zullen worden opgevolgd, één aanbeveling gedeeltelijk wordt opgevolgd, voor één aanbeveling wordt overwogen of opvolging zinvol is en één aanbeveling niet zal worden opgevolgd. Ons is medegedeeld dat inmiddels twee aanbevelingen zijn opgevolgd. Ultimo 2022 staan er derhalve nog vijf aanbevelingen open.

Vanwege de aard van een quick scan, levert een quick scan adviezen op en geen aanbevelingen zoals bij een review audit of een full audit. Het Bestuur is vrij om opvolging aan de adviezen van een quick scan te geven. Deze worden derhalve niet door de IAF gemonitord.

Hierbij worden de volgende opmerkingen gemaakt:

  1. De status van aanbevelingen en verbetermaatregelen is gebaseerd op mededelingen van de actiehouders. De IAF zal in 2023 zelfstandig de opvolging van aanbevelingen en verbetermaatregelen nagaan. 
  2. De opvolging van verbetermaatregelen die voortvloeien uit audits in het kader van de MCA-TKP wordt door de eerste en tweede lijn van het pensioenfonds bewaakt.
Versie:
v6.2.32

Met iWink Report maak je professionele online publicaties. Publicaties die je online, in print en als PDF-download kunt aanbieden.

En daarmee voldoe je direct aan de WCAG-wetgeving rond digitale toegankelijkheid.

Eenvoudig, veilig en efficiënt.

Meer over iWink Report