Spring naar inhoud

Jaarrekening

9.1 Balans per 31 december 2022

(bedragen x € 1.000)       31-12-2022       31-12-2021
  Ref.              
ACTIVA                
                 
Beleggingen voor risico pensioenfonds 1              
Vastgoedbeleggingen   253.785       245.915    
Aandelen   1.139.792       1.803.954    
Vastrentende waarden   2.466.814       3.022.284    
Derivaten   62.346       18.676    
Overige beleggingen   25.650       89.887    
        3.948.387       5.180.716
                 
Vorderingen en overlopende activa 2     22.467       17.373
                 
Overige activa 3     9.060       8.973
                 
TOTAAL ACTIVA       3.979.914       5.207.062
                 
PASSIVA                
                 
Stichtingskapitaal en reserves 4     424.407       150.266
                 
Technische voorzieningen                
Voorziening pensioenverplichtingen voor risico pensioenfonds 5     3.435.191       4.947.917
                 
Derivaten 6     93.663       100.484
                 
Overige schulden en overlopende passiva 7     26.653       8.395
                 
TOTAAL PASSIVA       3.979.914       5.207.062

9.2 Staat van baten en lasten

(bedragen x € 1.000)       2022       2021
  Ref.              
BATEN                
                 
Premiebijdragen voor risico pensioenfonds 8     106.264       98.297
                 
Beleggingsresultaten voor risico pensioenfonds 9     -1.225.872       180.374
                 
Overige baten 10     4       15
                 
TOTAAL BATEN       -1.119.604       278.686
                 
LASTEN                
                 
Pensioenuitkeringen 11     95.303       93.869
                 
Pensioenuitvoeringskosten 12     9.290       8.349
                 
Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds 13              
Pensioenopbouw   102.371       106.674    
Toeslagverlening   33.866       0    
Korting van aanspraken en rechten   0       0    
Rentetoevoeging   -23.937       -28.299    
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten   -98.270       -95.193    
Wijziging marktrente   -1.550.051       -357.703    
Wijziging actuariële grondslagen   31.983       -111    
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten   -12.859       3.796    
Overige mutaties   4.171       3.599    
        -1.512.726       -367.237
                 
Saldo overdrachten van rechten 14     13.624       -3.213
                 
Overige lasten 15     764       -213
                 
TOTAAL LASTEN       -1.393.745       -268.445
                 
Saldo van baten en lasten       274.141       547.131
                 
Bestemming van het saldo van baten en lasten                
Algemene reserve       274.141       547.131
Totaal saldo van baten en lasten       274.141       547.131
                 
                 

9.3 Kasstroomoverzicht

(bedragen x € 1.000)       2022        2021 
                 
Kasstroom uit pensioenactiviteiten                
                 
Ontvangsten                
Premies   100.475       98.719    
Inkomende waardeoverdrachten   9.736       10.926    
Overig ontvangsten   0       15    
        110.211       109.660
Uitgaven                
Pensioenuitkeringen   -95.060       -94.587    
Uitgaande waardeoverdrachten   -23.360       -7.713    
Pensioenuitvoeringskosten   -9.332       -8.236    
Overig uitgaven   -34       -213    
        -127.786       -110.749
                 
Totaal kasstroom uit pensioenactiviteiten       -17.575       -1.089
                 
Kasstroom uit beleggingsactiviteiten                
                 
Ontvangsten                
Verkopen en aflossingen van beleggingen *   5.570.216       5.442.315    
Directe beleggingsopbrengsten   64.446       67.118    
        5.634.662       5.509.433
Uitgaven                
Aankopen beleggingen   -5.690.667       -5.448.978    
Kosten vermogensbeheer   -6.497       -5.286    
        -5.697.164       -5.454.264
                 
Totaal kasstroom uit beleggingsactiviteiten       -62.502       55.169
                 
Nettokasstroom       -80.077       54.080
Koers-/omrekenverschillen                
Mutatie liquide middelen       -80.077       54.080
                 
Liquide middelen per 1 januari       130.737       76.657
Liquide middelen per 31 december       50.660       130.737
Mutatie liquide middelen **       -80.077       54.080

9.4 Toelichting op de jaarrekening

Algemeen

Activiteiten

Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf (hierna 'het pensioenfonds'), is statutair en feitelijk gevestigd aan Europaweg 27 te Groningen. De stichting is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 41149725.

Doelstelling van het pensioenfonds is het verlenen van pensioenen aan deelnemers, gewezen deelnemers en hun nabestaanden met inachtneming van de statuten en reglementen. Het pensioenfonds probeert dit doel te bereiken door premies te innen bij de aangesloten ondernemingen. De gelden worden belegd en beheerd en het pensioenfonds doet daaruit uitkeringen bij ouderdom en overlijden.

Overeenstemmingsverklaring

De jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen zoals deze zijn opgenomen in Titel 9 Boek 2 BW en met inachtneming van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder Richtlijn RJ 610 Pensioenfondsen. Het bestuur heeft op 15 juni 2023 de jaarrekening opgemaakt.

Referenties

In de balans en de staat van baten en lasten zijn referenties opgenomen waarmee wordt verwezen naar de toelichting.

Grondslagen

Algemene grondslagen

Alle bedragen in de jaarrekening zijn vermeld in euro's x 1.000, tenzij anders is aangegeven.

Continuïteitsveronderstelling

De jaarrekening is opgesteld op basis van 'going-concern'-uitgangspunten.

Opname van een actief of een verplichting

Een actief wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de toekomstige economische voordelen naar het pensioenfonds zullen toevloeien en de waarde daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Een verplichting wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de afwikkeling daarvan gepaard zal gaan met een uitstroom van middelen en de omvang van het bedrag daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Verantwoording van baten en lasten

Baten worden in de staat van baten en lasten opgenomen wanneer een vermeerdering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermeerdering van een actief of een vermindering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Lasten worden verwerkt wanneer een vermindering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermindering van een actief of een vermeerdering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Indien een transactie ertoe leidt dat nagenoeg alle of alle toekomstige economische voordelen en alle of nagenoeg alle risico's met betrekking tot een actief of een verplichting aan een derde zijn overgedragen, wordt het actief of de verplichting niet langer in de balans opgenomen. Verder worden activa en verplichtingen niet meer in de balans opgenomen vanaf het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van waarschijnlijkheid van de toekomstige economische voordelen en betrouwbaarheid van de bepaling van de waarde.

Transacties worden verwerkt op handelsdatum en niet op afwikkelingsdatum. Als gevolg hiervan kan sprake zijn van een post 'nog af te wikkelen transacties'. Deze post kan zowel een actief als een passief zijn.

Saldering van een actief en een verplichting

Een financieel actief en een financiële verplichting worden gesaldeerd als nettobedrag in de balans opgenomen indien sprake is van een wettelijke of contractuele bevoegdheid om het actief en de verplichting gesaldeerd en gelijktijdig af te wikkelen en bovendien de intentie bestaat om de posten op deze wijze af te wikkelen. De met de gesaldeerd opgenomen financiële activa en financiële verplichtingen samenhangende rentebaten en rentelasten worden eveneens gesaldeerd opgenomen.

Vreemde valuta

Functionele valuta
De jaarrekening is opgesteld in euro's, zijnde de functionele en presentatievaluta van het pensioenfonds.

Transacties, vorderingen en schulden
Transacties in vreemde valuta gedurende de verslagperiode zijn in de jaarrekening verwerkt tegen de koers op transactiedatum. Activa en verplichtingen in vreemde valuta worden omgerekend naar euro's tegen de koers per balansdatum. De uit de afwikkeling en omrekening voortvloeiende koersverschillen komen ten gunste of ten laste van de staat van baten en lasten.

De koersen van de belangrijkste valuta zijn:

    31 december 2022   Gemiddeld 2022   31 december 2021   Gemiddeld 2021
                 
USD   1,0673   1,1022   1,1372   1,1804
GBP   0,8872   0,8634   0,8396   0,8674
JPY   140,8183   135,8863   130,9543   128,6398

Vergelijking met vorig boekjaar

De gehanteerde grondslagen van waardering en van resultaatbepaling zijn ongewijzigd ten opzichte van het voorgaande jaar.

Schattingswijziging

De opstelling van de jaarrekening in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW vereist dat het bestuur oordelen vormt en schattingen en veronderstellingen maakt die van invloed zijn op de toepassing van grondslagen en de gerapporteerde waarde van activa en verplichtingen, en van baten en lasten.

De schattingen en onderliggende veronderstellingen worden voortdurend beoordeeld.

Indien het voor het geven van het in artikel 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht noodzakelijk is, is de aard van deze oordelen en schattingen inclusief de bijbehorende veronderstellingen opgenomen bij de toelichting op de desbetreffende jaarrekeningposten.

Ultimo 2022 is een aantal grondslagwijzigingen ten bedrage van € 31.983 doorgevoerd waarvan het totale effect op de dekkingsgraad -0,9%-punt is.

  • Overstap van Prognosetafel AG2020 naar Prognosetafel AG2022. Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 28.895 duizend. Het effect hiervan op de dekkingsgraad is 0,8%-punt negatief. 
  • Overstap van ervaringssterftecorrectie 2020 naar ervaringssterftecorrectie 2022. Dit leidt tot een daling van de voorziening pensioenverplichtingen met € 3.837 duizend en heeft een positief effect op de dekkingsgraad van 0,1%-punt.
  • Overstap van de fondsspecifieke partnerfrequentie 2020 inclusief samenwonend naar CBS 2022 inclusief samenwonend. Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 1 duizend en heeft een negatief effect de dekkingsgraad van 0,0%-punt.
  • Overstap van een wezenopslag op onbepaald partnerpensioen van 0,48% naar 0,45%. Dit leidt tot een daling van de voorziening pensioenverplichtingen met € 124 duizend en een bijbehorende effect op de dekkingsgraad van 0,0%-punt.
  • Overstap naar nieuw opbouwpercentage 1,35% (was 1,30%) dat aangehouden wordt voor de bepaling van de schadereserve voor arbeidsongeschikten. Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 1.544 duizend en heeft een negatief effect op de dekkingsgraad van 0,1%-punt negatief.
  • Voorziening voor toekomstige pensioenopbouw arbeidsongeschikten: de contante waarde van de vrijgestelde (toekomstige) pensioenopbouw is voor 100% in de technische voorziening opgenomen. Ten behoeve van het inlooprisico (wachttijd voor WIA-uitkering 2 jaar) wordt een opslag ter grootte van 7,3% van de actuariële koopsom voor de pensioenopbouw in het boekjaar en het voorgaande boekjaar opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen (2021: 4,8%). Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 3.322 duizend en een negatief effect op de dekkingsgraad van 0,1%-punt.

Dekkingsgraden

De beleidsdekkingsgraad is gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van de dekkingsgraden over de laatste 12 maanden. Hierbij wordt steeds gebruikgemaakt van de meest actuele inschatting van de betreffende dekkingsgraden.

De (nominale) dekkingsgraad van het pensioenfonds wordt berekend door op balansdatum het balanstotaal minus de kortlopende schulden en negatieve derivaten te delen op de technische voorzieningen zoals opgenomen in de balans. De reële dekkingsgraad wordt berekend als de dekkingsgraad gedeeld door de Toekomstbestendige Indexatie grens (TBI-grens).

Grondslagen voor waardering van activa en passiva

Beleggingen

Algemeen

De beleggingen worden gewaardeerd tegen marktwaarde. Het begrip marktwaarde is te beschouwen als synoniem van reële waarde. Onder waardering op marktwaarde wordt verstaan: het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen ter zake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn.

De waardering van participaties in beleggingsinstellingen geschiedt tegen marktwaarde. Voor beursgenoteerde beleggingsinstellingen is dit de marktnotering per balansdatum. De waardering in niet-beursgenoteerde beleggingsinstellingen geschiedt tegen actuele waarde.

Verwerking van waardeveranderingen van beleggingen

Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen gerealiseerde en ongerealiseerde waardeveranderingen van beleggingen. Alle waardeveranderingen van beleggingen, inclusief valutakoersverschillen, worden als beleggingsopbrengsten in de staat van baten en lasten opgenomen.

Vastgoedbeleggingen

Beursgenoteerde (indirecte) vastgoedbeleggingen worden gewaardeerd tegen de per balansdatum geldende beurskoers. De marktwaarde van niet-beursgenoteerde (indirecte) vastgoedbeleggingen is gebaseerd op het aandeel dat het pensioenfonds heeft in het eigen vermogen van de niet-beursgenoteerde vastgoedbelegging per balansdatum.

Aandelen

Beursgenoteerde aandelen en participaties in beursgenoteerde beleggingsinstellingen zijn gewaardeerd tegen marktwaarde, zijnde de beurswaarde per balansdatum.

De actuele waarde van niet-beursgenoteerde aandelen en participaties in beleggingsfondsen is gebaseerd op het aandeel dat het pensioenfonds heeft in het eigen vermogen van het niet-beursgenoteerde aandeel per balansdatum.

Private equity beleggingen worden gewaardeerd op marktwaarde, zijnde de intrinsieke waarde. Deze waarde wordt ontleend aan de meest recente rapportages van de fundmanagers, gecorrigeerd voor de kasstromen in de periode tot balansdatum. Daarnaast wordt bij de waardering rekening gehouden met eventuele negatieve gevolgen van materiële gebeurtenissen in het verslagjaar na ontvangst van deze rapportages. De managers bepalen de waarde op basis van lokale wet- en regelgeving.

Vastrentende waarden

Beursgenoteerde vastrentende waarden en participaties in beursgenoteerde beleggingsinstellingen zijn gewaardeerd tegen marktwaarde, zijnde de beurswaarde per balansdatum.

Indien vastrentende waarden of participaties in beleggingsinstellingen niet-beursgenoteerd zijn, vindt waardebepaling plaats op basis van de geschatte toekomstige nettokasstromen (rente en aflossingen) die uit de beleggingen zullen voortvloeien, contant gemaakt tegen de ultimo boekjaar geldende marktrente en rekening houdend met het risicoprofiel (kredietrisico; oninbaarheid) en de looptijden.

De lopende interest op vastrentende waarden wordt gepresenteerd als onderdeel van de marktwaarde van de vastrentende waarden.

Derivaten

Derivaten worden gewaardeerd op reële waarde, te weten de relevante marktnoteringen of, als die niet beschikbaar zijn, de waarde die wordt bepaald met behulp van marktconforme en toetsbare waarderingsmodellen.

Indien een derivatenpositie negatief is wordt het bedrag onder de schulden verantwoord.

Overige beleggingen

Overige beleggingen worden gewaardeerd op marktwaarde. Indien geen marktwaarde beschikbaar is, wordt de waarde bepaald met behulp van marktconforme en toetsbare waarderingsmodellen.

Vorderingen en overlopende activa

Vorderingen en overlopende activa worden bij eerste verwerking gewaardeerd op reële waarde. Na eerste verwerking worden vorderingen gewaardeerd op geamortiseerde kostprijs (gelijk aan de nominale waarde indien geen sprake is van transactiekosten) onder aftrek van eventuele bijzondere waardeverminderingen, indien sprake is van oninbaarheid.

Liquide middelen

Liquide middelen worden tegen nominale waarde gewaardeerd. Onder de liquide middelen zijn opgenomen die kas- en banktegoeden die onmiddellijk opeisbaar zijn dan wel een looptijd korter dan twaalf maanden hebben. Zij worden onderscheiden van tegoeden in verband met beleggingstransacties. Liquide middelen uit hoofde van beleggingstransacties worden gepresenteerd onder de beleggingen.

Stichtingskapitaal en reserves

Stichtingskapitaal en reserves worden bepaald door het bedrag dat resteert nadat alle actiefposten en posten van het vreemd vermogen, inclusief de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds en overige technische voorzieningen, volgens de van toepassing zijnde waarderingsgrondslagen in de balans zijn opgenomen.

De statutaire reserves en de overige wettelijke reserves die het pensioenfonds vormt, blijken op grond van artikel 2: 373 lid 1 BW afzonderlijk uit de balans.

Technische voorzieningen

Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds

De voorziening voor pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds wordt gewaardeerd op actuele waarde (ultimate forward rate). De actuele waarde wordt bepaald op basis van de contante waarde van de beste inschatting van toekomstige kasstromen die samenhangen met de op balansdatum onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen.

Onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen zijn de opgebouwde nominale aanspraken en de onvoorwaardelijke (toezeggingen tot) toeslagen. De contante waarde wordt bepaald met gebruikmaking van de ultimate forward rentecurve, zoals gepubliceerd door DNB.

Bij de berekening van de voorziening pensioenverplichtingen is uitgegaan van het op de balansdatum geldende pensioenreglement en van de over de verstreken deelnemersjaren verworven aanspraken. Jaarlijks wordt door het Bestuur besloten of toeslagen op de opgebouwde pensioenaanspraken worden verleend. Alle per balansdatum bestaande besluiten tot toeslagverlening (ook voor besluiten na balansdatum voor zover sprake is van ex-antecondities) zijn in de berekening begrepen. Er wordt geen rekening gehouden met toekomstige salarisontwikkelingen.

Bij de berekening van de voorziening wordt rekening gehouden met premievrije pensioenopbouw in verband met invaliditeit op basis van de contante waarde van premies waarvoor vrijstelling is verleend wegens arbeidsongeschiktheid. 

Bij de bepaling van de actuariële uitgangspunten wordt uitgegaan van voor de toezichthouder acceptabele grondslagen, waarbij rekening wordt gehouden met de voorzienbare trend in overlevingskansen:

  • De gehanteerde marktrente die gebaseerd is op de rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB, rekening houdend met een gemiddelde looptijd van de uitkeringen van 19,9 jaar (2021: 22,3 jaar). 
  • Overlevingstafels, te weten de prognosetafels AG2022 (2021: AG2020) met ervaringssterfte op basis van fondsspecifieke correctiefactoren ES2022 (2021: met ervaringssterfte op basis van fondsspecifieke correctiefactoren ES2020).  
  • Partnerfrequentie, CBS 2022 inclusief samenwonend (2021: CBS 2020 inclusief samenwonend).  
  • (On)bepaald partnersysteem.
    Voor partnerpensioen is aangenomen dat de vrouwelijke partner 3 jaar jonger is dan de verzekerde man en de mannelijke partner 2 jaar ouder dan de verzekerde vrouw (2021: idem) 
  • Kostenopslag ter grootte van 2,7% van de voorziening voor pensioenverplichtingen in verband met toekomstige administratie- en excassokosten (2021: idem). 
  • Voorziening voor uitgesteld wezenpensioen: 0,45% (2021: 0,48%) van de voorziening van uitgesteld partnerpensioen bij uitgesteld ouderdomspensioen. 
  • Voorziening voor toekomstige pensioenopbouw arbeidsongeschikten: de contante waarde van de vrijgestelde (toekomstige) pensioenopbouw is voor 100% in de technische voorziening opgenomen. Ten behoeve van het inlooprisico (wachttijd voor WIA-uitkering 2 jaar) wordt een opslag ter grootte van 7,3% van de actuariële koopsom voor de pensioenopbouw in het boekjaar en het voorgaande boekjaar opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen (2021: 4,8%). 
  • Voorziening in verband met niet-opgevraagde pensioenen: de berekende voorziening vermenigvuldigd met de kans dat het bedrag alsnog wordt opgevraagd. Deze kans is voor leeftijden tot de actuele pensioenrichtleeftijd 100%, op de actuele pensioenrichtleeftijd 50% en vervolgens per jaar met 10% aflopend naar 0% (2021: idem). Voor niet opgevraagd nabestaandenpensioen dient voor pensioenrichtleeftijd ingangsleeftijd gelezen te worden. 

Overige schulden en overlopende passiva

Overige schulden en overlopende passiva worden bij eerste verwerking gewaardeerd op reële waarde. Na eerste verwerking worden schulden gewaardeerd op geamortiseerde kostprijs (gelijk aan de nominale waarde indien geen sprake is van transactiekosten).

Kortlopende schulden hebben een looptijd korter dan één jaar.

Grondslagen voor bepaling van het resultaat

Algemeen

De in de staat van baten en lasten opgenomen posten zijn in belangrijke mate gerelateerd aan de in de balans gehanteerde waarderingsgrondslagen voor beleggingen en de voorziening pensioenverplichtingen. Zowel gerealiseerde als ongerealiseerde resultaten worden rechtstreeks verantwoord in het resultaat.

Premiebijdragen (van werkgevers en werknemers)

Onder premiebijdragen van werkgevers en werknemers wordt verstaan de aan derden in rekening gebrachte c.q. te brengen bedragen voor de in het verslagjaar verzekerde pensioenen onder aftrek van kortingen. De ambtshalve opgelegde premies waartegenover geen opbouw staat zijn uit het resultaat geëlimineerd. Premies zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben. Eventuele opslagen op de premie zijn eveneens als premiebijdragen verantwoord.

Beleggingsresultaten risico pensioenfonds

Indirecte beleggingsopbrengsten
Onder de indirecte beleggingsopbrengsten worden verstaan de gerealiseerde en ongerealiseerde waarde wijzigingen en valutaresultaten. In de jaarrekening wordt geen onderscheid gemaakt tussen gerealiseerde en ongerealiseerde waardeveranderingen van beleggingen. Alle waardeveranderingen van beleggingen, inclusief valutakoersverschillen, worden als beleggingsopbrengsten in de staat van baten en lasten opgenomen. (In)directe beleggingsresultaten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

Directe beleggingsopbrengsten
Onder de directe beleggingsopbrengsten wordt in dit verband verstaan rentebaten en -lasten, dividenden, huuropbrengsten en soortgelijke opbrengsten.

Dividend wordt verantwoord op het moment van betaalbaarstelling.

Kosten vermogensbeheer
Onder kosten van vermogensbeheer worden de externe kosten verstaan.

Verrekening van kosten
Met de directe en indirecte beleggingsopbrengsten zijn verrekend de aan de opbrengsten gerelateerde transactiekosten, provisies, valutaverschillen en indirecte kosten vermogensbeheer e.d.

Pensioenuitkeringen

De pensioenuitkeringen betreffen de aan deelnemers uitgekeerde bedragen inclusief afkopen. De pensioenuitkeringen zijn berekend op actuariële grondslagen en toegerekend aan het verslagjaar waarop zij betrekking hebben.

Pensioenuitvoeringskosten

De pensioenuitvoeringskosten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds

Pensioenopbouw
Bij de pensioenopbouw zijn aanspraken en rechten over het boekjaar gewaardeerd naar het niveau dat zij op balansdatum hebben.

Indexering en overige toeslagen
Het pensioenfonds streeft ernaar zowel de opgebouwde pensioenrechten van de actieve deelnemers als de ingegane pensioenen en de premievrije pensioenrechten (gewezen deelnemers) jaarlijks aan te passen aan de ontwikkeling van de prijsindex. De toeslagverlening heeft een voorwaardelijk karakter. Dit betekent dat geen recht op toeslagen bestaat en dat het niet zeker is of en in hoeverre in de toekomst toeslagverlening kan plaatsvinden. Een eventuele achterstand in de toeslagverlening kan onder voorwaarden binnen een periode van 5 jaar worden ingehaald.

Rentetoevoeging
De pensioenverplichtingen zijn opgerent met -0,486% (2021: -0,533%), op basis van de éénjaarsrente van de DNB-curve aan het begin van het verslagjaar.

Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten
Vooraf wordt een actuariële berekening gemaakt van de toekomstige pensioenuitvoeringskosten (met name excassokosten) en pensioenuitkeringen die in de voorziening pensioenverplichtingen worden opgenomen. Deze post betreft de vrijval ten behoeve van de financiering van de kosten en uitkeringen in het verslagjaar.

Wijziging marktrente
Jaarlijks wordt per 31 december de marktwaarde van de technische voorzieningen herrekend door toepassing van de actuele rentetermijnstructuur. Het effect van de verandering van de rentetermijnstructuur wordt verantwoord onder wijziging marktrente.

Wijzigingen actuariële uitgangspunten
Jaarlijks worden de actuariële grondslagen en/of methoden beoordeeld en mogelijk herzien ten behoeve van de berekening van de actuele waarde van de pensioenverplichtingen. Hierbij wordt gebruikgemaakt van interne en externe actuariële deskundigheid. Dit betreft onder meer de vergelijking van veronderstellingen ten aanzien van sterfte, langleven, arbeidsongeschiktheid met werkelijke waarnemingen, zowel voor de gehele bevolking als voor de populatie van het pensioenfonds.

De vaststelling van de toereikendheid van de voorziening voor pensioenverplichtingen is een inherent onzeker proces, waarbij gebruik wordt gemaakt van schattingen en oordelen door het bestuur van het pensioenfonds. Het effect van deze wijzigingen wordt verantwoord in het resultaat op het moment dat de actuariële uitgangspunten worden herzien.

Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten
Een resultaat op overdrachten kan ontstaan doordat de vrijval van de voorziening plaatsvindt tegen fondstarieven, terwijl het bedrag dat wordt overgedragen gebaseerd is op de wettelijke factoren voor waardeoverdrachten. De tarieven van het pensioenfonds wijken af van de wettelijke tarieven.

Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen
De overige mutaties ontstaan door mutaties in de aanspraken door overlijden, arbeidsongeschiktheid en pensioneren.

Saldo overdrachten van rechten

De post saldo overdrachten van rechten bevat het saldo van bedragen uit hoofde van overgenomen dan wel overgedragen pensioenverplichtingen.

Overige baten en lasten

Overige baten en lasten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

Kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht is volgens de directe methode opgesteld. Alle ontvangsten en uitgaven worden hierbij als zodanig gepresenteerd. Onderscheid wordt gemaakt tussen kasstromen uit pensioenactiviteiten en beleggingsactiviteiten. De liquide middelen in het kasstroomoverzicht zijn zowel de liquide middelen verantwoord onder "Overige activa" als de liquide middelen verantwoord onder "Beleggingen". De kasstromen uit directe beleggingsopbrengsten onder beleggingsactiviteiten zijn inclusief de derivatentransacties.

9.5 Toelichting op de balans per 31 december 2022

ACTIVA

1. Beleggingen voor risico pensioenfonds

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Vastgoedbeleggingen   253.785   245.915
Aandelen   1.139.792   1.803.954
Vastrentende waarden   2.466.814   3.022.284
Derivaten   62.346   18.676
Overige beleggingen   25.650   89.887
Totaal   3.948.387   5.180.716
(bedragen x € 1.000)   Vastgoedbeleggingen   Aandelen   Vastrentende waarden   Derivaten   Overige beleggingen   Totaal
                         
Stand per 1 januari 2022   245.915   1.803.954   3.022.284   -81.808   89.887   5.080.232
Aankopen   22.119   584.666   3.730.557   992.295   361.030   5.690.667
Verkopen   -22.151   -1.069.582   -3.823.817   -259.086   -387.870   -5.562.506
Herwaardering   7.941   -163.905   -444.345   -683.527   -8   -1.283.844
Overige mutaties   -39   -15.341   -17.865   809   -37.389   -69.825
Stand per 31 december 2022   253.785   1.139.792   2.466.814   -31.317   25.650   3.854.724
Schuldpositie derivaten (credit)                       93.663
Totaal                       3.948.387
(bedragen x € 1.000)   Vastgoedbeleggingen   Aandelen   Vastrentende waarden   Derivaten   Overige beleggingen   Totaal
                         
Stand per 1 januari 2021   99.176   1.528.696   3.268.569   -187   19.203   4.915.457
Aankopen   157.856   2.405.009   2.401.437   245.266   239.410   5.448.978
Verkopen   -36.455   -2.528.596   -2.570.890   -57.473   -211.430   -5.404.844
Herwaardering   25.511   397.183   -63.361   -272.753   0   86.580
Overige mutaties   -173   1.662   -13.471   3.339   42.704   34.061
Stand per 31 december 2021   245.915   1.803.954   3.022.284   -81.808   89.887   5.080.232
Schuldpositie derivaten (credit)                       100.484
Totaal                       5.180.716

Vastgoedbeleggingen

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Indirecte vastgoedbeleggingen, zijnde participaties in beleggingsinstellingen die beleggen in vastgoed   253.707   245.769
Vorderingen   78   146
Totaal   253.785   245.915

Ultimo boekjaar bedragen de volgende posten meer dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie:

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
CBRE Dutch Residential Fund IV   83.242   32,8%   77.849   31,7%
CBRE Pan European Core Fund   63.335   25,0%   55.676   22,6%
Prime Property Fund LLC   43.362   17,1%   34.984   14,2%
Invesco Core Real Estate USA   45.698   18,0%   36.063   14,7%
Totaal   235.637   92,8%   204.572   83,2%

Aandelen

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Beusgenoteerde aandelen   902.755   1.601.943
Private equity   231.294   193.627
Vorderingen   5.743   8.384
Totaal   1.139.792   1.803.954

Het pensioenfonds belegt niet in de aangesloten ondernemingen.

Ultimo boekjaar zijn er geen posities binnen de betreffende beleggingscategorie met een belang groter dan 5%.

Vastrentende waarden

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Overheidsobligaties   710.943   967.840
Bedrijfsobligaties   338.308   372.813
Hypotheken   446.259   549.073
Overige obligaties   4.959   3.808
Private loans   47.149   149.297
Geldmarktfondsen   891.641   934.664
Vorderingen   11.605   12.912
Liquide middelen   15.950   31.877
Totaal   2.466.814   3.022.284

Ultimo boekjaar bedragen de volgende posten meer dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie:

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Duitsland staatsobligaties   119.941   4,9%   254.918   8,4%
Nederland staatsobligaties   252.911   10,3%   350.467   11,6%
AEGON NV   315.140   12,8%   386.522   12,8%
ASR Nederland NV   131.324   5,3%   162.551   5,4%
Totaal   819.316   33,2%   1.154.458   38,2%

Derivaten

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Rentederivaten   40.721   12.439
Valutaderivaten   19.545   2.585
Overige derivaten   678   312
Vorderingen   1.402   3.340
Totaal   62.346   18.676

Voor rentederivaten met een positieve waarde zijn zekerheden ontvangen voor € 18,6 miljoen. (2021: voor rentederivaten met een negatieve waarde per 31 december 2021 zijn zekerheden gesteld voor een bedrag van € 8,2 miljoen). De derivatenpositie wordt nader toegelicht in de risicoparagraaf van deze jaarrekening.

Overige beleggingen

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Liquide middelen   25.650   89.887
Totaal   25.650   89.887

Securities lending

Sinds 2022 neemt het fonds weer deel aan securities lending. Ultimo 2022 heeft het fonds voor € 180,9 miljoen (€ 171,4 miljoen nominale waarde) aan stukken uitgeleend. Het daarvoor ontvangen onderpand bedraagt € 188,0 miljoen. In 2021 zijn geen stukken uitgeleend. 

Schattingen en oordelen

Zoals vermeld in de toelichting zijn de beleggingen van het pensioenfonds nagenoeg allemaal gewaardeerd tegen actuele waarde per balansdatum en is het over het algemeen mogelijk en gebruikelijk om de actuele waarde binnen een aanvaardbare bandbreedte van schattingen vast te stellen. Voor sommige andere financiële instrumenten, zoals beleggingsvorderingen en -schulden, geldt dat de boekwaarde de actuele waarde benadert als gevolg van het kortetermijnkarakter van de vorderingen en schulden. De boekwaarde van alle activa en de financiële verplichtingen op balansdatum benadert de actuele waarde.

Voor de meerderheid van de financiële instrumenten van het pensioenfonds kan gebruik worden gemaakt van marktnoteringen. Echter, bepaalde financiële instrumenten, zoals bijvoorbeeld derivaten zijn gewaardeerd door middel van gebruikmaking van waarderingsmodellen en -technieken, inclusief verwijzing naar de huidige reële waarde van vergelijkbare instrumenten. 

In de wijze waarop de waardering tot stand is gekomen kan het volgende onderscheid worden gemaakt:

(bedragen x € 1.000)   Directe marktnotering   Afgeleide
markt-noteringen
  Waarderingsmodellen   Totaal
                 
Vastgoedbeleggingen   14.657   0   239.128   253.785
Aandelen   908.498   0   231.294   1.139.792
Vastrentende waarden   1.754.851   711.963   0   2.466.814
Derivaten   0   -31.317   0   -31.317
Overige beleggingen   25.650   0   0   25.650
Stand per 31 december 2022   2.703.656   680.646   470.422   3.854.724

Schattingen van de actuele waarde zijn een momentopname, gebaseerd op de marktomstandigheden en de beschikbare informatie over het financiële instrument. Deze schattingen zijn van nature subjectief en bevatten onzekerheden en een significante oordeelsvorming (bijvoorbeeld rentestand, volatiliteit, schatting van kasstromen, etc.) en kunnen derhalve niet met precisie worden vastgesteld.

(bedragen x € 1.000)   Directe marktnotering   Afgeleide
markt-noteringen
  Waarderingsmodellen   Totaal    
                     
Vastgoedbeleggingen   37.519   0   208.396   245.915    
Aandelen   1.610.327   0   193.627   1.803.954    
Vastrentende waarden   2.077.205   945.079   0   3.022.284    
Derivaten   0   -81.808   0   -81.808    
Overige beleggingen   89.887   0   0   89.887    
Stand per 31 december 2021   3.814.938   863.271   402.023   5.080.232    

2. Vorderingen en overlopende activa

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Vorderingen op deelnemers van het pensioenfonds   8   2
Vorderingen op werkgevers   22.354   17.342
Overige vorderingen en overlopende activa   105   29
Totaal   22.467   17.373

Alle vorderingen hebben een resterende looptijd van korter dan één jaar.

Specificatie Vorderingen op werkgevers   31-12-2022   31-12-2021
         
Vorderingen op werkgevers   23.291   17.552
Voorziening dubieuze debiteuren   -937   -210
Totaal   22.354   17.342

3. Overige activa

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Liquide middelen   9.060   8.973
Totaal   9.060   8.973

De tegoeden bij banken staan ter vrije beschikking van het pensioenfonds. Kredietfaciliteiten zijn niet van toepassing.

PASSIVA

4. Stichtingskapitaal en reserves

(bedragen x € 1.000)   Algemene reserve
     
Stand per 1 januari 2021   -396.865
Uit bestemmingssaldo van baten en lasten   547.131
Stand per 31 december 2021   150.266
Uit bestemmingssaldo van baten en lasten   274.141
Stand per 31 december 2022   424.407

Dekkingsgraad, vermogenspositie en herstelplan

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Feitelijke dekkingsgraad   112,4%   103,0%
Reële dekkingsgraad   81,2%   78,7%
Beleidsdekkingsgraad   109,0%   98,2%

De (nominale) dekkingsgraad van het pensioenfonds wordt berekend door op balansdatum het pensioenvermogen te delen op de technische voorzieningen zoals opgenomen in de balans.

De beleidsdekkingsgraad is gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van de (nominale) dekkingsgraden naar de meest actuele inzichten over de laatste 12 maanden.

De reële dekkingsgraad wordt berekend als de beleidsdekkingsgraad gedeeld door de Toekomstbestendige Indexatiegrens (TBI-grens).

Voor het bepalen van het vereist eigen vermogen (de solvabiliteitstoets) maakt het fonds gebruik van het standaardmodel. Het bestuur acht het gebruik van het standaardmodel passend voor de risico's van het fonds. De uitkomsten van de solvabiliteitstoets zijn opgenomen onder de paragraaf risicobeheer.

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022    
         
Stichtingskapitaal en reserves   424.407   112,4%
Minimaal vereist eigen vermogen   146.094   104,3%
Vereist eigen vermogen   595.114   117,3%

De vermogenspositie van het pensioenfonds kan als gevolg hiervan worden gekarakteriseerd als reservetekort. De certificerend actuaris beschouwt de positie van het vermogen als onvoldoende.

Herstelplan

De beleidsdekkingsgraad van het fonds is per eind 2021 lager dan de minimaal vereiste dekkingsgraad van 104,2%. Eind maart 2022 is een actualisering van het herstelplan ingediend bij DNB naar de situatie per 31 december 2021. Volgens de prognose van de dekkingsgraad in het herstelplan was de actuele dekkingsgraad per 31 december 2022 geschat op 105,9%. De actuele dekkingsgraad per 31 december 2022 is met 112,4% hoger dan dit percentage. De actuele dekkingsgraad is hoger dan de minimaal vereiste dekkingsgraad van 104,3%, maar lager dan de vereiste dekkingsgraad van 117,3%. Het fonds bevindt zich daarmee in een situatie van reservetekort.

Eind maart 2023 heeft het pensioenfonds op grond van artikel 139, lid 1 van de Pensioenwet een geactualiseerd herstelplan ingediend bij DNB. In het herstelplan is de verwachte actuele dekkingsgraad eind 2023 gelijk aan 114,9%. Op 23 mei 2023 heeft DNB ingestemd met het ingediende herstelplan.

Op basis van dit geactualiseerd herstelplan zal ultimo 2027 de beleidsdekkingsgraad hersteld zijn tot de vereiste dekkingsgraad en zal het pensioenfonds dan geen reservetekort meer hebben. Dit is binnen de gekozen hersteltermijn van tien jaar. De stijging van de (beleids)dekkingsgraad tussen ultimo 2022 en ultimo 2027 is met name het gevolg van de verwachte overrendementen.

Op grond van het financieel toetsingskader moet een pensioenfonds jaarlijks een haalbaarheidstoets uitvoeren en moet het pensioenfonds laten zien dat het afgesproken premiebeleid reëel en haalbaar is, alsook dat het pensioenfonds een voldoende herstelkracht heeft vanuit het niveau van de minimaal vereiste dekkingsgraad.

Op 27 juni 2022 heeft het pensioenfonds een haalbaarheidstoets ingediend bij DNB. De uitkomsten van deze toets zijn getoetst aan de risicohouding op lange termijn. De uitkomsten van de haalbaarheidstoets voldoen aan de door het pensioenfonds opgestelde beleidsgrenzen.

Statutaire regelingen omtrent de bestemming van het saldo van baten en lasten

Ten aanzien van de bestemming van het saldo van baten en lasten is geen bepaling opgenomen in de statuten van het fonds. De bestemming is nader uitgewerkt in de ABTN.

Het positief saldo van de staat van baten en lasten van € 274.141 over 2022 is toegevoegd aan de algemene reserve.

5. Technische voorzieningen

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds   3.435.191   4.947.917
Totaal   3.435.191   4.947.917

Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Stand per 1 januari   4.947.917   5.315.154
Pensioenopbouw   102.371   106.674
Toeslagverlening   33.866   0
Rentetoevoeging   -23.937   -28.299
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten   -98.270   -95.193
Wijziging marktrente   -1.550.051   -357.703
Wijziging actuariële grondslagen   31.983   -111
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten   -12.859   3.796
Overige mutaties   4.171   3.599
Stand per 31 december   3.435.191   4.947.917

Pensioenopbouw
Onder pensioenopbouw is opgenomen de actuarieel berekende waarde van de diensttijdopbouw. Dit is het effect op de voorziening pensioenverplichtingen van de in het verslagjaar opgebouwde nominale rechten ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen. Verder is hierin begrepen het effect van de individuele salarisontwikkeling.

Rentetoevoeging
De pensioenverplichtingen zijn opgerent met -0,486% (2021: -0,533), op basis van de éénjaarsrente van de RTS aan het begin van het verslagjaar.

Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten
Verwachte toekomstige pensioenuitkeringen worden vooraf actuarieel berekend en opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. De onder dit hoofd opgenomen afname van de voorziening betreft het bedrag dat vrijkomt ten behoeve van de financiering van de verwachte pensioenuitkeringen in de verslagperiode.

Toekomstige pensioenuitvoeringskosten (in het bijzonder excassokosten) worden vooraf actuarieel berekend en opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. De onder dit hoofd opgenomen afname van de voorziening betreft het bedrag dat vrijkomt ten behoeve van de financiering van de verwachte uitvoeringskosten in de verslagperiode.

Wijziging marktrente
Jaarlijks wordt per 31 december de marktwaarde van de technische voorzieningen herrekend door toepassing van de actuele RTS. Het effect van de verandering van de RTS wordt verantwoord onder het onderdeel wijziging marktrente.

De gemiddelde rente waarop de pensioenverplichtingen is gebaseerd is als volgt:

    Rentepercentage per 31 december
2020   0,25
2021   0,59
2022   2,50

Wijziging actuariële uitgangspunten
Jaarlijks worden de actuariële grondslagen en/of methoden beoordeeld en mogelijk herzien ten behoeve van de berekening van de actuele waarde van de pensioenverplichtingen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van interne en externe actuariële deskundigheid. Dit betreft onder meer de vergelijking van veronderstellingen ten aanzien van sterfte, langleven, arbeidsongeschiktheid met werkelijke waarnemingen, zowel voor de gehele bevolking als voor de populatie van het pensioenfonds.

De vaststelling van de toereikendheid van de voorziening voor pensioenverplichtingen is een inherent onzeker proces, waarbij gebruik wordt gemaakt van schattingen en oordelen door het bestuur van het fonds. Het effect van deze wijzigingen wordt verantwoord in het resultaat op het moment dat de actuariële uitgangspunten worden herzien.

Ultimo 2022 zijn een aantal grondslagwijzigingen t.b.v. € 31.983 doorgevoerd waarvan het totale effect op de dekkingsgraad -0,9%-punt is.

  • Overstap van Prognosetafel AG2020 naar Prognosetafel AG2022. Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 28.895 duizend. Het effect hiervan op de dekkingsgraad is 0,8%-punt negatief. 
  • Overstap van ervaringssterftecorrectie 2020 naar ervaringssterftecorrectie 2022. Dit leidt tot een daling van de voorziening pensioenverplichtingen met € 3.837 duizend en heeft een positief effect op de dekkingsgraad van 0,1%-punt.
  • Overstap van de fondsspecifieke partnerfrequentie 2020 inclusief samenwonend naar CBS 2022 inclusief samenwonend. Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 1 duizend en heeft een negatief effect de dekkingsgraad van 0,0%-punt.
  • Overstap van een wezenopslag op onbepaald partnerpensioen van 0,48% naar 0,45%. Dit leidt tot een daling van de voorziening pensioenverplichtingen met € 124 duizend en een bijbehorende effect op de dekkingsgraad van 0,0%-punt.
  • Overstap naar nieuw opbouwpercentage 1,35% (was 1,30%) dat aangehouden wordt voor de bepaling van de schadereserve voor arbeidsongeschikten. Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 1.544 duizend en heeft een negatief effect op de dekkingsgraad van 0,1%-punt negatief.
  • Voorziening voor toekomstige pensioenopbouw arbeidsongeschikten: de contante waarde van de vrijgestelde (toekomstige) pensioenopbouw is voor 100% in de technische voorziening opgenomen. Ten behoeve van het inlooprisico (wachttijd voor WIA-uitkering 2 jaar) wordt een opslag ter grootte van 7,3% van de actuariële koopsom voor de pensioenopbouw in het boekjaar en het voorgaande boekjaar opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen (2021: 4,8%). Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 3.322 duizend en een negatief effect op de dekkingsgraad van 0,1%-punt.

Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Toevoeging aan de technische voorziening   10.080   10.037
Onttrekking aan de technische voorziening   -22.939   -6.241
Totaal   -12.859   3.796

Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Resultaat op kanssystemen:        
- Sterfte   -2.289   -4.314
- Arbeidsongeschiktheid   6.046   8.543
- Mutaties   414   -630
Totaal   4.171   3.599

De voorziening voor pensioenverplichtingen is naar categorieën als volgt samengesteld:

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
    Voorziening   Aantallen   Voorziening   Aantallen
                 
Actieve deelnemers   1.244.502   34.526   1.950.655   34.046
Gewezen deelnemers   1.035.693   97.955   1.554.431   95.529
Pensioengerechtigden   1.066.227   24.156   1.313.031   23.703
Overige   88.769       129.800    
Totaal   3.435.191   156.637   4.947.917   153.278

Korte beschrijving pensioenregeling in 2022

De pensioenregeling wordt gekenmerkt als een voorwaardelijk geïndexeerde middelloonregeling met een pensioenleeftijd van 68 jaar. Jaarlijks wordt een aanspraak op ouderdomspensioen opgebouwd over het in dat jaar geldende pensioengevend salaris. Het pensioengevend salaris is gelijk aan het sociale verzekeringsloon (SV-loon) van het betreffende boekjaar. Over dit pensioensalaris wordt na aftrek van de franchise een ouderdomspensioen opgebouwd. Daarnaast bestaat er recht op nabestaanden- en wezenpensioen. Deelname aan de regeling is vanaf de leeftijd van 20 jaar. Jaarlijks beslist het bestuur van het pensioenfonds in hoeverre de opgebouwde aanspraken worden geïndexeerd. Overeenkomstig artikel 10 van de Pensioenwet is de pensioenregeling gekwalificeerd als een uitkeringsovereenkomst.

De inhoud van de pensioenregeling is het resultaat van het overleg tussen cao-partijen. De huidige pensioenregeling, voor deelnemers geboren op of na 1 januari 1950, is van kracht vanaf 1 januari 2006 en gewijzigd per 1 januari 2022 en laatstelijk gewijzigd per 1 januari 2023.

De belangrijkste kenmerken van deze pensioenregeling zijn:

  • Pensioensysteem: Uitkeringsovereenkomst in de vorm van een middelloonregeling. De pensioenuitkering is gebaseerd op een opbouwpercentage van het pensioengevend salaris dat gemiddeld verdiend is tijdens de deelnemingsperiode minus de franchise.
    Pensioenleeftijd: 68 jaar.
  • Toetredingsleeftijd: Een werknemer die in dienst is bij een werkgever die is aangesloten bij het Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf neemt verplicht deel aan de pensioenregeling. De deelname gaat in op de eerste dag van de maand waarin de werknemer 20 jaar wordt.
  • Pensioengevend salaris: Het voor de werknemer geldende loon in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen in het boekjaar (SV-loon).
  • Opbouwpercentage middelloon: Voor de berekening van de aanspraken op jaarlijks ouderdomspensioen geldt per jaar van deelneming een percentage van het pensioengevend salaris minus de jaarlijks vastgestelde franchise.
  • De opbouw van ouderdomspensioen bedraagt in 2022 1,30% per jaar.

Partnerpensioen: Het partnerpensioen bedraagt maximaal 70% van het opgebouwde of te behalen ouderdomspensioen.

Wezenpensioen: Het wezenpensioen bedraagt voor elk kind 14% van het opgebouwde of te behalen ouderdomspensioen en wordt uitgekeerd tot 18 jaar. Wanneer een wees na de 18-de verjaardag recht heeft op kinderbijslag of recht heeft op studiefinanciering, kan er een recht bestaan op een wezenpensioen tot 27 jaar. Als beide ouders overlijden, wordt het wezenpensioen verdubbeld tot 28% van het jaarlijkse ouderdomspensioen.

Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid: Bij arbeidsongeschiktheid volgens de WIA of WAO wordt de pensioenopbouw geheel of gedeeltelijk voortgezet, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. De financiering van de voortzetting van pensioenopbouw komt voor rekening van het pensioenfonds.

Toeslagverlening

De toeslagen op pensioenrechten en pensioenaanspraken worden jaarlijks vastgesteld door het Bestuur van het fonds. Dit heeft plaatsgevonden op 9 december 2022. Er bestaat een ambitie om jaarlijks de pensioenrechten en pensioenaanspraken aan te passen. De daadwerkelijke toeslag in een jaar is voorwaardelijk en is afhankelijk van de hoogte van de beschikbare middelen. De vaststelling van het toeslagpercentage voor zowel actieve en arbeidsongeschikte deelnemers als voor gepensioneerde en premievrije deelnemers wordt afgeleid van de stijging van het consumentenprijsindexcijfer voor alle bestedingen (afgeleid) tussen 1 april van het voorafgaande jaar en 1 april in het jaar waarop de toeslag betrekking heeft. De stijging bedroeg tussen 1 april 2021 en 1 april 2022 9,6%. De pensioenrechten en pensioenaanspraken zijn per 1 januari 2023 verhoogd met 1,0%. (1 januari 2022: nihil).

Er is geen recht op toekomstige toeslagen. Het is niet zeker of en in hoeverre in de toekomst wordt geïndexeerd. Het fonds heeft geen geld gereserveerd voor toekomstige toeslagen. Toeslagen zijn afhankelijk van de middelen van het fonds, en daarvoor zijn beleggingsresultaten een belangrijk element.

Inhaaltoeslagen

Onder bepaalde omstandigheden kunnen inhaaltoeslagen worden toegekend. Inhaaltoeslagen zijn toeslagen die worden toegezegd, voor zover in het verleden niet voor 100% is geïndexeerd. Om inhaaltoeslagen te kunnen toekennen is een hoge dekkingsgraad vereist. Inhaaltoeslagen zijn daarom op korte termijn niet te verwachten. Het Bestuur van het pensioenfonds geeft in haar jaarrekening elk jaar een specificatie van het verschil tussen de volledige en de werkelijk toegekende toeslagen. 

Het fonds heeft in de ABTN vastgelegd dat uitvoering van het besluit tot compensatie van in het verleden gemiste indexaties en of in het verleden doorgevoerde kortingen moet geschieden binnen vijf jaar na het oorspronkelijke indexatie- of kortingsmoment. Indien de compensatie van de gemiste indexatie of in het verleden doorgevoerde korting niet binnen deze termijn kan worden toegekend, komt zij te vervallen.

Daarom is in de volgende twee tabellen enkel de inhaalindexatie opgenomen die aan de deelnemer toegekend zou kunnen worden mits het fonds daarvoor voldoende middelen heeft.

Toeslagen worden verleend over het boekjaar en toegekend met ingang van 1 januari van het volgend boekjaar.

Specificatie toeslagverlening premievrije deelnemers en de gepensioneerden:

Gewezen deelnemers en pensioengerechtigden   Volledige
toeslag-
verlening
  Toegekende
toeslagen
  Verschil   Cumulatief
verschil (t.o.v.
ambitie)
                 
2018   0,81%   0,00%   0,81%    
2019   1,71%   0,00%   1,71%    
2020   1,52%   0,00%   1,52%    
2021   1,53%   0,00%   1,53%    
2022   10,69%   1,00%   9,59%   6,88%

Het toeslagpercentage is bepaald over het lopende boekjaar en gaat in per 1 januari van het daaropvolgende jaar.

Specificatie toeslagverlening actieven:

Actieve deelnemers   Volledige
toeslag-
verlening
  Toegekende
toeslagen
  Verschil   Cumulatief
verschil (t.o.v.
ambitie)
                 
2018   0,81%   0,00%   0,81%    
2019   1,71%   0,00%   1,71%    
2020   1,52%   0,00%   1,52%    
2021   1,53%   0,00%   1,53%    
2022   10,69%   1,00%   9,59%   6,88%

6. Derivaten

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Derivaten   93.663   100.484
Totaal   93.663   100.484

Een specificatie van de derivaten is opgenomen in de risicoparagraaf. 

7. Overige schulden en overlopende passiva

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Beleggingscrediteuren   18.610   720
Belastingen en premie sociale verzekeringen   2.806   2.168
Overige schulden en overlopende passiva   5.177   5.432
Pensioenuitkeringen   36   19
Premiecrediteuren   24   56
Totaal   26.653   8.395

Alle schulden hebben een resterende looptijd van korter dan één jaar.
De beleggingscrediteuren betreffen nog af te wikkelen beleggingstransacties (2021: idem).
De overige schulden bevatten voor € 1,9 miljoen een bedrag aan nog af te kopen klein pensioen (2021: € 1,9 miljoen).

9.6 Risicobeheer

Het fonds wordt bij het beheer van de pensioenverplichtingen en de financiering daarvan geconfronteerd met risico's. De belangrijkste doelstelling van het fonds is het nakomen van de pensioentoezeggingen. Het solvabiliteitsrisico is daarmee het belangrijkste risico voor het fonds.

  • Beleggingsbeleid;
  • Premiebeleid;
  • Toeslagbeleid.

De keuze en toepassing van beleidsinstrumenten vindt plaats na uitvoerige analyses ten aanzien van te verwachten ontwikkelingen van de verplichtingen en de financiële markten. Daarbij wordt onder meer gebruikgemaakt van de continuïteitsanalyse en de Asset Liability Management-studie (ALM-Studie)

De uitkomsten van deze analyses vinden hun weerslag in jaarlijks door het Bestuur vast te stellen beleggingsrichtlijnen die dienen als basis voor het te voeren beleggingsbeleid. De beleggingsrichtlijnen geven normen en limieten aan waarbinnen de uitvoering van het beleggingsbeleid door de vermogensbeheerders moet plaatsvinden. Deze uitgangspunten zijn vastgelegd in mandaatovereenkomsten met de vermogensbeheerders. De mandaten zijn gericht op actief vermogensbeheer.

Solvabiliteitsrisico's

Het belangrijkste risico voor het pensioenfonds betreft het solvabiliteitsrisico, ofwel het risico dat het pensioenfonds niet beschikt over voldoende vermogen ter dekking van de pensioenverplichtingen. De solvabiliteit wordt gemeten op basis van zowel algemeen geldende normen als specifieke normen die door de toezichthouder worden opgelegd.

Indien de solvabiliteit van het pensioenfonds zich negatief ontwikkelt, bestaat het risico dat het pensioenfonds de premie voor ondernemingen en deelnemers moet verhogen en het risico dat er geen ruimte beschikbaar is voor een eventuele toeslagverlening op opgebouwde pensioenrechten. In het uiterste geval kan het noodzakelijk zijn dat het pensioenfonds verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten moet verminderen.

De aanwezige dekkingsgraad heeft zich als volgt ontwikkeld:

Ontwikkeling dekkingsgraad   2022   2021
         
Dekkingsgraad per 1 januari   103,0%   92,5%
Premie   -0,4%   -0,3%
Uitkeringen   0,1%   -0,1%
Toeslagen/korting   -1,0%   0,0%
Wijziging rentetermijnstructuur   47,0%   6,7%
Rendement   -24,4%   4,1%
Wijziging Actuariële grondslagen   -0,9%   0,0%
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten   0,0%   0,0%
Overige mutaties   -11,0%   0,1%
Dekkingsgraad per 31 december   112,4%   103,0%

Om het solvabiliteitsrisico te beheersen dient het pensioenfonds buffers in het vermogen aan te houden. De omvang van deze buffers (buffers plus de pensioenverplichtingen heten samen het vereist vermogen) wordt vastgesteld met de door DNB voorgeschreven solvabiliteitstoets (S-toets). Deze toets bevat een kwantificering van de bestuursvisie op de pensioenfondsspecifieke restrisico's (na afdekking).

Ultimo 2022 is aan de hand van het standaardmodel van de toezichthouder per risicofactor de vereiste solvabiliteit bepaald, die uitkomt op 117,3% (2021: 115,2%).

De berekening van het vereist eigen vermogen en het hieruit voortvloeiende tekort aan het einde van het boekjaar is als volgt:

Vereist Eigen Vermogen   2022   2021
         
S1 Renterisico   5,2%   1,4%
S2 Risico zakelijke waarden   11,7%   11,4%
S3 Valutarisico   3,4%   3,6%
S4 Grondstoffenrisico   0,0%   0,0%
S5 Kredietrisico   3,4%   3,7%
S6 Verzekeringstechnisch risico   3,3%   3,5%
S7 Liquiditeitsrisico   0,0%   0,0%
S8 Concentratierisico   0,0%   0,0%
S9 Operationeel risico   0,0%   0,0%
S10 Actief beheerrisico   0,5%   0,7%
Diversificatie-effect   -10,2%   -9,1%
Vereist Eigen Vermogen per 31 december   17,3%   15,2%
(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Vereist pensioenvermogen   4.030.305   5.702.274
Voorziening pensioenverplichtingen   3.435.191   4.947.917
Vereist eigen vermogen   595.114   754.357
Aanwezig pensioenvermogen (Totaal activa -/- schulden)   424.407   150.266
Tekort/Tekort   -170.707   -604.091

Beleggingsrisico

De belangrijkste beleggingsrisico's betreffen het markt-, krediet- en liquiditeitsrisico. Het marktrisico is uit te splitsen in renterisico, valutarisico en prijs(koers)risico. Marktrisico wordt gelopen op de verschillende beleggingsmarkten waarin het pensioenfonds op basis van het vastgestelde beleggingsbeleid actief is. De beheersing van het risico is geïntegreerd in het beleggingsproces. Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid kunnen zich voorts risico's manifesteren uit hoofde van de geselecteerde managers en bewaarbedrijven (zogeheten manager- en custody-risico), en de juridische bepalingen omtrent gebruikte instrumenten en de uitvoeringsovereenkomst (juridisch risico). Het marktrisico wordt beheerst doordat met de vermogensbeheerder specifieke mandaten zijn afgesproken, die in overeenstemming zijn met de beleidskaders en richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld door het Bestuur. Het Bestuur monitort de mate van naleving van deze mandaten. De marktposities worden periodiek gerapporteerd.

Renterisico (S1)

Renterisico is het risico dat de waarde van de portefeuille vastrentende waarden en de waarde van de pensioenverplichtingen veranderen als gevolg van ongunstige veranderingen in de marktrente. Maatstaf voor het meten van rentegevoeligheid is de duration. De duration is de gewogen gemiddelde resterende looptijd in jaren.

Het beleid van het fonds is erop gericht om de 'duration mismatch', dat wil zeggen het looptijdverschil tussen de beleggingen en de pensioenverplichtingen te verkleinen. Hierdoor neemt het renterisico dat het pensioenfonds loopt af. Het beleid van het pensioenfonds is om het renterisico voor 60% af te dekken (2021: 50%). Hierbij worden grenzen van 55%-65% (2021: 47,5%-55%) gehanteerd. Het pensioenfonds realiseert dit bijvoorbeeld door meer langlopende obligaties te kopen in plaats van aandelen (aandelen hebben per definitie een duration van nul), binnen de portefeuille kortlopende obligaties vervangen door langlopende obligaties of door middel van renteswaps. Bij een renteswap wordt een vaste lange rente geruild tegen een variabele korte rente. Het pensioenfonds ontvangt in dit geval een lange rente, vergelijkbaar met de kasstroom van een langlopende obligatie en betaalt daarvoor een variabele korte rente (bijvoorbeeld Euribor).

De duratie en het effect van de renteafdekking kan als volgt worden samengevat:

    31-12-2022       31-12-2021    
                 
    Waarde   Duration   Waarde   Duration
                 
Vastrentende waarden (excl. derivaten)   2.466.814   4,6   3.022.284   6,2
(Nominale) pensioenverplichtingen   3.435.191   19,9   4.947.917   22,3

De samenstelling van de vastrentende waarden naar looptijd is als volgt:

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Resterende looptijd < 5 jaar   1.927.902   78,2%   1.614.422   53,4%
Resterende looptijd 5 < > 10 jaar   70.236   2,8%   192.551   6,4%
Resterende looptijd 10 < > 20 jaar   287.691   11,7%   320.259   10,6%
Resterende looptijd > 20 jaar   180.985   7,3%   895.052   29,6%
Totaal   2.466.814   100,0%   3.022.284   100,0%

De presentatie van de vastrentende waarden in bovenstaande looptijden hangt samen met het langetermijnkarakter van de investeringen van het pensioenfonds en het hiermee samenhangende beleid en dient ter vergelijking met de looptijden van de verplichtingen zoals in onderstaand overzicht weergegeven.

De resterende looptijd van de verplichtingen kan als volgt worden weergegeven:

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Resterende looptijd < 5 jaar   457.179   13,3%   473.734   9,6%
Resterende looptijd 5 < > 10 jaar   473.953   13,8%   561.478   11,3%
Resterende looptijd 10 < > 20 jaar   933.107   27,2%   1.311.405   26,5%
Resterende looptijd > 20 jaar   1.570.951   45,7%   2.601.300   52,6%
Totaal   3.435.191   100,0%   4.947.917   100,0%

Risico zakelijke waarden (S2)

Het zakelijkewaardenrisico is het risico dat de waarde van de zakelijke waarden (voornamelijk aandelen, beursgenoteerd indirect vastgoed en converteerbare obligaties) verandert door veranderingen in de marktprijzen voor deze waarden. Het structurele marktrisico wordt beheerst binnen het ALM-proces. Daarin wordt een zodanige beleggingsmix vastgesteld dat het marktrisico acceptabel is. De feitelijke beleggingsmix mag binnen vastgestelde bandbreedtes afwijken van de ALM-beleggingsmix. Voor de beheersing van het marktrisico in samenhang met het renterisico wordt gebruikgemaakt van derivaten.

Valutarisico (S3)

Voor zowel vastrentende waarden als aandelen wordt actief valutabeleid gevoerd. Uitgangspositie is tot maximaal 20% valutarisico voor vastrentende waarden. In de aandelenportefeuille wordt het valutarisico dat wordt gelopen op de posities in Amerikaanse dollar, het Britse pond en de Japanse yen afgedekt. Het percentage dat niet in euro's wordt belegd bedraagt ultimo 2022 circa 28,0% (2021: 33,1%) van de beleggingsportefeuille en is voor 15,0% (2021: 17,8%) afgedekt naar de euro. Onafgedekt is derhalve 13,0% (2021: 15,3%). Per einde boekjaar is de waarde van de uitstaande valutatermijncontracten € 18,6 miljoen (2021: € -5,1 miljoen).

Een restrisico betreft de categorie overige valuta; deze valuta betreffen onder andere Noorse Kronen. Het bestuur heeft besloten om deze risico's niet af te dekken. In de solvabiliteitstoets van het fonds is in de buffers voor het valutarisico rekening gehouden met bovenstaande valutaposities en afdekkingen.

De valutapositie per 31 december 2022 vóór en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te geven:

        31-12-2022    
2022   Totaal voor afdekking   Valutaderivaten afdekking   Nettopositie
na afdekking
             
EUR   2.775.289   594.207   3.369.496
             
GBP   35.726   -35.294   432
JPY   53.849   -50.069   3.780
USD   776.888   -490.224   286.664
Overige   212.972   0   212.972
Totaal   3.854.724   18.620   3.873.344

De valutapositie van de beleggingen per 31 december 2021 vóór en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te geven:

          31-12-2021    
  2021   Totaal voor afdekking   Valutaderivaten afdekking   Netto positie
na afdekking
               
  EUR   3.375.122   914.234   4.289.356
               
  GBP   59.811   -64.424   -4.613
  JPY   96.213   -91.516   4.697
  USD   1.252.853   -763.348   489.505
  Overige   296.233   0   296.233
  Totaal   5.080.232   -5.054   5.075.178

Een restrisico betreft de categorie overige valuta; deze valuta betreffen valuta in opkomende markten en/of hebben een correlatie met de USD. Het Bestuur heeft besloten om deze risico's niet af te dekken.

In de solvabiliteitstoets van het pensioenfonds is in de buffers voor het valutarisico rekening gehouden met bovenstaande valutaposities en afdekkingen.

Prijsrisico

Prijsrisico is het risico van waarde wijzigingen door de ontwikkeling van marktprijzen. Het wordt veroorzaakt door factoren gerelateerd aan een individuele belegging, de uitgevende instelling of generieke factoren.

Het prijsrisico wordt gemitigeerd door diversificatie die onder meer is vastgelegd in de strategische beleggingsmix van het pensioenfonds. In aanvulling hierop maakt het pensioenfonds voor afdekking van het prijsrisico gebruik van afgeleide financiële instrumenten (derivaten), zoals opties en futures.

Naast de strategische mix heeft het fonds in het mandaat aan de vermogensbeheerders richtlijnen gesteld aan het maximale percentage dat namens het fonds in een sector, land of tegenpartij mag worden belegd. Naleving van deze richtlijnen vindt plaats door de beleggingscommissie op basis van periodieke rapportages die door de vermogensbeheerder worden verstrekt.

De segmentatie van de aandelen naar regio is als volgt:

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Europa EU   242.138   13,4%   471.185   26,1%
Europa non-EU   23.338   1,3%   61.628   3,4%
Noord-Amerika   664.391   36,8%   985.834   54,6%
Zuid-Amerika   8.923   0,5%   238.491   13,2%
Zuidoost Azië   169.400   9,4%   1.323   0,1%
Midden-Oosten   3.018   0,2%   4.678   0,3%
Overige beleggingen   28.584   1,6%   40.815   2,3%
Totaal   1.139.792   63,2%   1.803.954   100,0%

Grondstoffenrisico (S4)

Pensioenfondsen die beleggen in grondstoffen (commodities) lopen het risico dat de waarde van deze beleggingen daalt.

Kredietrisico (S5)

Kredietrisico is het risico van financiële verliezen voor het fonds als gevolg van faillissement of betalingsonmacht van tegenpartijen waarop het fonds (potentiële) vorderingen heeft. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan partijen die obligatieleningen uitgeven, banken waar deposito's worden geplaatst, marktpartijen waarmee Over The Counter (OTC)-derivatenposities worden aangegaan.

Een voor beleggingsactiviteiten specifiek onderdeel van kredietrisico is het settlementrisico. Dit heeft betrekking op het risico dat partijen waarmee het fonds transacties is aangegaan niet meer in staat zijn hun tegenprestatie te verrichten waardoor het fonds financiële verliezen lijdt.

Beheersing van dit risico door het fonds vindt plaats door het stellen van limieten aan tegenpartijen op totaalniveau, dat wil zeggen met inachtneming van alle posities die een tegenpartij heeft jegens het fonds; het vragen van extra zekerheden zoals onderpand en dergelijke bij hypothecaire geldleningen en het uitlenen van effecten; het hanteren van prudente verstrekkingsnormen bij hypothecaire geldleningen. Ter afdekking van het settlementrisico wordt door het fonds enkel belegd in markten waar een voldoende betrouwbaar clearing- en settlementsysteem functioneert. Voordat in nieuwe markten wordt belegd, wordt eerst onderzoek gedaan naar de waarborgen op dit gebied. Met betrekking tot niet-beursgenoteerde beleggingen, met name OTC-derivaten, wordt door het fonds enkel gewerkt met tegenpartijen waarmee ISDA/CSA overeenkomsten zijn afgesloten zodat posities van het fonds adequaat worden afgedekt door onderpand.

De samenstelling van de vastrentende waarden naar regio's kan als volgt worden samengevat:

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Europa EU   1.616.448   65,5%   2.227.752   73,7%
Europa non-EU   45.004   1,8%   123.470   4,1%
Noord-Amerika   205.240   8,3%   305.423   10,1%
Zuid-Amerika   58.698   2,4%   66.081   2,2%
Zuidoost Azië   68.765   2,8%   95.714   3,2%
Midden-Oosten   16.869   0,7%   18.963   0,6%
Overige beleggingen   455.790   18,5%   184.881   6,1%
Totaal   2.466.814   100,0%   3.022.284   100,0%

De samenstelling van de vastrentende waarden naar sectoren is als volgt:

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Nederlandse overheidsinstellingen   252.911   10,3%   346.211   11,5%
Buitenlandse overheidsinstellingen   142.206   5,8%   603.343   20,0%
Financiële dienstverlening   1.948.267   79,0%   1.882.788   62,3%
Overige   79.515   3,2%   130.874   4,3%
Nijverheid en industrie   43.915   1,8%   59.068   2,0%
Totaal   2.466.814   100,0%   3.022.284   100,0%

De kredietwaardigheid van veel marktpartijen wordt ook door rating agencies beoordeeld. De samenvatting van de vastrentende waarden op basis van de ratings zoals eind 2022 gepubliceerd door Standard & Poor's is als volgt:

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
AAA   469.986   19,1%   616.123   20,4%
AA   410.289   16,6%   556.299   18,4%
A   194.165   7,9%   299.873   9,9%
BBB   275.181   11,2%   352.236   11,7%
Lager dan BBB   199.249   8,1%   287.622   9,5%
Geen rating   917.944   37,2%   910.131   30,1%
Totaal   2.466.814   100,0%   3.022.284   100,0%

Verzekeringstechnische risico's (actuariële risico's, S6)

Het verzekeringstechnische risico is het risico dat voortvloeit uit mogelijke afwijkingen van actuariële inschattingen die worden gebruikt voor de vaststelling van de technische voorzieningen en de hoogte van de premie. De belangrijkste actuariële risico's zijn de risico's van langleven, overlijden (kortleven), arbeidsongeschiktheid en het toeslagrisico.

Langlevenrisico
Het langlevenrisico is het belangrijkste verzekeringstechnische risico. Langlevenrisico is het risico dat deelnemers langer blijven leven dan gemiddeld verondersteld wordt bij de bepaling van de voorziening pensioenverplichtingen. Als gevolg hiervan volstaat de opbouw van het pensioenvermogen niet voor de uitkering van de pensioenverplichting. Door toepassing van prognosetafels met adequate correcties voor ervaringssterfte is het langlevenrisico nagenoeg geheel verdisconteerd in de waardering van de pensioenverplichtingen. 

Overlijdensrisico
Het overlijdensrisico betekent dat het pensioenfonds in geval van overlijden mogelijk een nabestaandenpensioen moet toekennen waarvoor door het pensioenfonds geen voorzieningen zijn getroffen. Dit risico kan worden uitgedrukt in risicokapitalen.

Arbeidsongeschiktheidsrisico
Het arbeidsongeschiktheidsrisico betreft het risico dat het fonds voorzieningen moet treffen voor premievrijstelling bij invaliditeit en het toekennen van een arbeidsongeschiktheidspensioen ('schadereserve'). Voor dit risico wordt jaarlijks een risicopremie in rekening gebracht. Het verschil tussen de risicopremie en de werkelijke kosten wordt verwerkt via het resultaat. De actuariële uitgangspunten voor de risicopremie worden periodiek herzien.

Het fonds heeft deze risico's overwogen en verwerkt in de buffer voor het verzekeringstechnische risico ultimo 2022.

Liquiditeitsrisico (S7)

Liquiditeitsrisico is het risico dat beleggingen niet tijdig en/of niet tegen een aanvaardbare prijs kunnen worden omgezet in liquide middelen, waardoor het pensioenfonds op korte termijn niet aan zijn verplichtingen kan voldoen. Waar de overige risicocomponenten vooral de langere termijn betreffen (solvabiliteit), gaat het hierbij om de kortere termijn. Dit risico kan worden beheerst door in het strategische en tactische beleggingsbeleid voldoende ruimte aan te houden voor de liquiditeitsposities. Er moet eveneens rekening worden gehouden met de directe beleggingsopbrengsten en andere inkomsten zoals premies.

Concentratierisico (S8)

Concentraties kunnen ertoe leiden dat het pensioenfonds bij grote veranderingen in bijvoorbeeld de waardering (marktrisico) of de financiële positie van een tegenpartij (kredietrisico) grote (veelal financiële) gevolgen hiervan ondervindt. Concentratierisico's kunnen optreden bij een concentratie in de beleggingsportefeuille in producten, regio's of landen, economische sectoren of tegenpartijen. Naast concentraties in de beleggingsportefeuille kan ook sprake zijn van concentraties in de verplichtingen en de uitvoering.

Om concentratierisico's in de beleggingsportefeuille te beheersen maakt het bestuur gebruik van diversificatie en limieten voor beleggen in landen, regio's, sectoren en tegenpartijen. Deze uitgangspunten zijn door het pensioenfonds vastgesteld op basis van de ALM-studie. De uitgangspunten zijn vastgelegd in de contractuele afspraken met de vermogensbeheerders en het Bestuur monitort op kwartaalbasis de naleving hiervan.

De spreiding in de beleggingsportefeuille is weergegeven in de tabel die is opgenomen bij de toelichting op het kredietrisico. Grote posten kunnen een post van concentratierisico zijn. Om te bepalen welke posten dit betreft worden per beleggingscategorie alle instrumenten met dezelfde debiteur opgeteld. Als grote post wordt aangemerkt elke post die meer dan 2% van het balanstotaal uitmaakt. Ultimo 2022 zijn de volgende posten met meer dan 2% van het balanstotaal aanwezig:

(bedragen x € 1.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Staatsobligaties Nederland   257.436   6,5%   350.467   6,7%
Staatsobligaties Duitsland   119.941   3,0%   254.918   4,9%
AEGON NV   315.140   7,9%   386.522   7,4%
ASR Nederland NV   131.324   3,3%   162.551   3,1%
Totaal   823.841   20,7%   1.154.458   22,2%

Operationeel risico (S9)

Operationeel risico is het risico van een onjuiste afwikkeling van transacties, fouten in de verwerking van gegevens, het verloren gaan van informatie, fraude en dergelijke. Deze risico's worden door het fonds beheerst door het stellen van hoge kwaliteitseisen aan de organisaties die bij de uitvoering zijn betrokken.

De beleggingsportefeuille is bij NN Investment Partners (overgenomen door Goldman Sachs) ondergebracht. Deze partij is de Fiduciair Manager. Met NN Investment Partners is een overeenkomst en een service level agreement gesloten. De afhankelijkheid van deze partij wordt beheerst doordat de bewaring van de stukken uit de portefeuille is ondergebracht bij custodian Bank of New York Mellon.

De pensioenuitvoering is uitbesteed aan pensioenuitvoerder TKP Pensioen B.V. Met TKP Pensioen B.V. is een uitbestedingsovereenkomst en een service level agreement (SLA) gesloten.

Het bestuur beoordeelt jaarlijks de kwaliteit van de uitvoering van de vermogensbeheerders, custodian en TKP door middel van performancerapportages (alleen vermogensbeheerders), SLA-rapportages, In Control Statement (TKP) en onafhankelijk getoetste interne beheersingsrapportages (ISAE 3402 type II-rapportages).

Aangezien hiermee sprake is van adequate beheersing van de operationele risico's worden door het fonds hiervoor geen buffers aangehouden in de solvabiliteitstoets.

Actief beheerrisico (S10)

Een actief beheerrisico ontstaat wanneer met het beleggingsbeleid binnen de beleggingscategorieën afgeweken wordt van het beleid volgens de benchmark. Een maatstaf voor de mate waarin sprake is van actief beheer is de zogenaamde 'tracking error'. De tracking error geeft aan hoe groot de afwijkingen van het rendement kunnen zijn ten opzichte van het benchmarkrendement. Hoe hoger de tracking error, hoe hoger het actief beheerrisico.

Het fonds heeft voor de verschillende aandelenmandaten limieten opgesteld voor de tracking error en de toegestane afwijkingen van de benchmark. Deze limieten zijn onderdeel van de contracten met de vermogensbeheerders. De betreffende vermogensbeheerders hebben aan deze richtlijnen voldaan.

Systeemrisico

Systeemrisico betreft het risico dat het mondiale financiële systeem (de internationale markten) niet langer naar behoren functioneert, waardoor beleggingen van het pensioenfonds niet langer verhandelbaar zijn en zelfs, al dan niet tijdelijk, hun waarde kunnen verliezen. Net als voor andere marktpartijen, is dit risico voor het pensioenfonds niet beheersbaar. Het systeemrisico maakt geen onderdeel uit van de door DNB voorgeschreven solvabiliteitstoets.

Derivaten

Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid wordt gebruikgemaakt van financiële derivaten. Hoofdregel die hierbij geldt, is dat derivaten uitsluitend worden gebruikt voor zover dit passend is binnen het beleggingsbeleid van het pensioenfonds. Derivaten worden hoofdzakelijk gebruikt om de hiervoor vermelde vormen van marktrisico mogelijk af te dekken.

Derivaten hebben als voornaamste risico het kredietrisico. Dit risico wordt beperkt door alleen transacties aan te gaan met goed te boek staande partijen en door zoveel mogelijk te werken met onderpand.

  • Futures: dit zijn standaard beursgenoteerde instrumenten waarmee snel posities kunnen worden gewijzigd. Futures worden gebruikt voor het tactische beleggingsbeleid. Tactisch beleggingsbeleid is slechts zeer beperkt mogelijk binnen de grenzen van het strategische beleggingsbeleid. 
  • Valutatermijncontracten: dit zijn met individuele banken afgesloten contracten waarbij de verplichting wordt aangegaan tot het verkopen van een valuta en de aankoop van een andere valuta, tegen een vooraf vastgestelde prijs en op een vooraf vastgestelde datum. Door middel van valutatermijncontracten worden valutarisico's afgedekt. 
  • Renteswaps: dit betreft met individuele banken afgesloten contracten waarbij de verplichting wordt aangegaan tot het uitwisselen van rentebetalingen over een nominale hoofdsom. Door middel van swaps kan het pensioenfonds de rentegevoeligheid van de portefeuille beïnvloeden. 

Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de derivatenpositie op 31 december 2022:

Type contract   Gemiddelde looptijd in jaren   Contract-
omvang
  Saldo
waarde
  Positieve waarde   Negatieve
waarde
                     
Rentederivaten   24,7   997.050   -51.197   40.721   91.918
Valutaderivaten   0,1   -575.472   18.620   19.545   925
Futures   0,2   -6.658   -142   678   820
Vorderingen inzake derivaten       0   1.402   1.402   0
Totaal       414.920   -31.317   62.346   93.663

Ultimo 2022 zijn zekerheden ontvangen voor de swaps voor een bedrag van € 18.610 (2021: € -) en zekerheden gesteld van € - (2021: € 8.230).

Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de derivatenpositie op 31 december 2021:

Type contract   Gemiddelde looptijd in jaren   Contract-
omvang
  Saldo
waarde
  Positieve waarde   Negatieve
waarde
                     
Rentederivaten   23,4   1.328.700   -80.043   12.439   92.482
Valutaderivaten   0,1   -919.288   -5.054   2.585   7.639
Futures   0,2   6.270   -50   313   363
Vorderingen inzake derivaten       0   3.339   3.339   0
Totaal per 31 december       415.682   -81.808   18.676   100.484

9.7 Niet in de balans opgenomen regelingen

Langlopende contractuele verplichtingen

Het fonds heeft een uitbestedingsovereenkomst voor onbepaalde tijd afgesloten met TKP Pensioen BV met een opzegtermijn van één jaar. De vergoeding voor 2023 bedraagt circa € 6,8 miljoen.

Met NNIP is een overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten voor het fiduciair beheer, met een opzegtermijn van 3 maanden voor het Bestuur. De opzegtermijn voor NNIP is 12 maanden. De vergoeding voor 2023 bedraagt circa € 2,1 miljoen.

Ook is een overeenkomst voor onbepaalde termijn gesloten met de custodian Bank of New York Mellon met een opzegtermijn van 90 dagen. De vergoeding voor 2023 bedraagt circa € 0,5 miljoen.

Tenslotte heeft het fonds met Ortec Finance een overeenkomst voor onbepaalde tijd afgesloten met een opzegtermijn van 90 dagen. De vergoeding voor 2023 bedraagt circa in 2023 € 0,4 miljoen.

Investeringsverplichtingen

Vooruitlopend op verwachte inkomende kasstromen bestaan er per balansdatum de volgende investerings-en stortingsverplichtingen (zogenaamde voorbeleggingen):

(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Private equity   80.813   93.447
Totaal per 31 december   80.813   93.447
         
         
         

Voorwaardelijke verplichtingen

In 2018 is een claim financieel afgewikkeld.
Onderdeel van de afwikkeling is een voorwaardelijke terugbetaalverplichting voor de duur van 10 jaar. Hiertoe zijn obligaties verpand t.b.v. € 5.500 voor de duur van tien jaar eindigend op 15 januari 2028.

9.8 Verbonden partijen

Identiteit van verbonden partijen

Er is sprake van een relatie tussen Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf, de aangesloten werkgevers en de bestuurders van Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf. Voor zover van toepassing zijn transacties met verbonden partijen tegen marktconforme voorwaarden gerealiseerd.

Transacties met (voormalige) bestuurders

Inzake de beloning van bestuurders wordt verwezen naar de staat van baten en lasten bij de pensioenuitvoeringskosten. Er zijn geen leningen verstrekt aan, noch is er sprake van vorderingen op, (voormalige) bestuurders.

9.9 Toelichting op de staat van baten en lasten over 2022

8. Premiebijdragen voor risico pensioenfonds

(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Pensioenpremie huidig jaar   106.021   98.700
Pensioenpremie voorgaande jaren   243   -403
Totaal   106.264   98.297

De premieopbrengsten zijn niet gesplitst naar een werkgevers- en een werknemersdeel, omdat de totale premie volgens overeenkomst aan de werkgevers in rekening wordt gebracht. Een deel van de premie wordt door de werkgevers ingehouden op het salaris van de werknemers. Aangezien er geen directe relatie is tussen het werkgevers-en het werknemersdeel, worden deze niet afzonderlijk weergegeven.

De totale bijdrage van werkgever en werknemers bedraagt 25,8% (2021: 25,7%) van de pensioengrondslag (het salaris minus de franchise van € 14.802) (2021: € 14.544). De kostendekkende, gedempte en feitelijke premie zijn als volgt:

(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Zuiver kostendekkende premie   133.930   138.478
Gedempte kostendekkende premie   100.950   98.053
Feitelijke premie   106.021   98.700

Toelichting feitelijke premie:

De opgelegde premie over 2022 bedraagt € 106.021 (2021: € 98.700).

Deze premie is hoger dan de gedempte premie en lager dan de zuiver kostendekkende premie. Het pensioenfonds maakt gebruik van de mogelijkheid te premie te dempen.

Specificatie Zuiver kostendekkende premie

(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Actuarieel benodigd voor onvoorwaardelijke delen pensioenopbouw   102.371   106.674
Opslag voor instandhouding van het vereist eigen vermogen   16.609   16.654
Opslag voor uitvoeringskosten   8.053   7.755
Actuarieel benodigd voor risicodekking   6.897   7.395
Totaal   133.930   138.478

Specificatie Feitelijke premie

(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Actuarieel benodigd voor onvoorwaardelijke delen pensioenopbouw   64.883   57.921
Opslag voor instandhouding van het vereist eigen vermogen en voorwaardelijke onderdelen van de pensioenopbouw   41.138   40.779
Totaal   106.021   98.700

Specificatie Gedempte kostendekkende premie

(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Actuarieel benodigd voor onvoorwaardelijke delen pensioenopbouw   81.410   79.469
Opslag voor instandhouding van het vereist vermogen   7.868   7.230
Opslag voor uitvoeringskosten   8.053   7.755
Actuarieel benodigd voor risicodekking   3.619   3.599
Totaal   100.950   98.053

Het verschil tussen de zuivere kostendekkende premie en de gedempte premie wordt veroorzaakt doordat de actuarieel benodigde koopsom van de zuivere kostendekkende premie vastgesteld is op basis van de rentetermijnstructuur per 31 december 2021 en die van de gedempte kostendekkende premie op basis van de reële rendementscurve per 30 september 2020 met een afslag voor indexatie. De reële rendementscurve staat in beginsel voor een periode van vijf jaar vast.

De koopsom voor risicodekking behelst de koopsom voor het overlijdens- en arbeidsongeschiktheidsrisico.

Bij de bepaling van de aan het boekjaar toe te rekenen premie is rekening gehouden met verleende premiekortingen en/of premieopslagen. In het boekjaar is geen korting verstrekt of opslag in rekening gebracht.

Van de opgelegde premie is de verbijzondering naar de diverse componenten zoals weergegeven bij de specificatie van de kostendekkende premie niet beschikbaar.

9. Beleggingsresultaten risico pensioenfonds

(bedragen x € 1.000)   Directe beleggings-
opbrengsten
  Indirecte beleggings-
opbrengsten
  Kosten vermogensbeheer   Totaal    
                     
2022                    
Vastgoedbeleggingen   7.297   7.941   0   15.238    
Aandelen   31.098   -163.905   -3.758   -136.565    
Vastrentende waarden   24.314   -444.345   -555   -420.586    
Derivaten   1.768   -683.527   0   -681.759    
Overige beleggingen   -31   -8   0   -39    
Overige kosten vermogensbeheer           -2.161   -2.161    
Totaal   64.446   -1.283.844   -6.474   -1.225.872    
(bedragen x € 1.000)   Directe beleggings-
opbrengsten
  Indirecte beleggings-
opbrengsten
  Kosten vermogensbeheer   Totaal    
                     
2021                    
Vastgoedbeleggingen   4.662   25.581   0   30.243    
Aandelen   33.088   422.320   -4.824   450.584    
Vastrentende waarden   26.245   -63.200   -746   -37.701    
Derivaten   2.784   -265.491   0   -262.707    
Overige beleggingen   339   480   0   819    
Overige kosten vermogensbeheer           -864   -864    
Totaal   67.118   119.690   -6.434   180.374    

10. Overige baten

(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Andere baten   4   15
Totaal   4   15

De andere baten betreffen diverse slotuitkeringen inzake faillissementen.

11. Pensioenuitkeringen

(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Ouderdomspensioen   71.897   69.538
Partnerpensioen   19.796   19.858
Wezenpensioen   206   219
Afkopen   3.404   4.254
Totaal   95.303   93.869

De post afkopen betreft de afkoop van pensioenen die lager zijn dan € 520,35 (2021: € 503,24) per jaar (de wettelijke afkoopgrens). 

12. Pensioenuitvoeringskosten

(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Bestuurskosten   469   382
Kosten Raad van Toezicht en Verantwoordingsorgaan   165   168
Administratiekostenvergoeding   6.599   6.417
Accountantskosten   91   91
Certificerend actuaris   52   53
Adviserend actuaris   61   100
Overige advieskosten   125   56
Contributies en bijdragen   467   441
Risicomanagement   380   333
Dwangsommen en boetes   0   0
Overige pensioenuitvoeringskosten   113   93
Project Wet toekomst pensioenen   533   25
Communicatiekosten   235   190
Totaal   9.290   8.349

In de bestuurskosten, kosten van het verantwoordingsorgaan en Raad van Toezicht zijn de vergoedingen aan de leden opgenomen.

In de Bestuurskosten, kosten verantwoordingsorgaan en de Raad van Toezicht zijn de vergoedingen aan de leden opgenomen.

Governancekosten        
Vergoeding bestuur   376   352
Vergoeding raad van toezicht   61   48
Vergoeding verantwoordingsorgaan   78   75
    515   475

Specificatie Accountantskosten

(bedragen x € 1.000)   Onafhankelijke accountant   Overige netwerk   Totaal
             
2022            
Controle van de jaarrekening   98   0   98
Andere niet-controlediensten   0   0   0
Totaal   98   0   98
(bedragen x € 1.000)   Onafhankelijke accountant   Overige netwerk   Totaal
             
2021            
Controle van de jaarrekening   91   0   91
Andere niet-controlediensten   0   0   0
Totaal   91   0   91

Aantal personeelsleden
Bij het pensioenfonds zijn evenals voorgaand jaar geen werknemers in dienst.

13. Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds

(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Pensioenopbouw   102.371   106.674
Toeslagverlening   33.866   0
Rentetoevoeging   -23.937   -28.299
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten   -98.270   -95.193
Wijziging marktrente   -1.550.051   -357.703
Wijziging actuariële grondslagen   31.983   -111
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten   -12.859   3.796
Overige mutaties   4.171   3.599
Totaal   -1.512.726   -367.237

14. Saldo overdracht van rechten

(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Ontvangen waardeoverdrachten   -468   0
Ontvangen WOD KP   -9.268   -10.926
Uitgaande waardeoverdrachten   16.379   0
Uitgaande WOD KP   6.981   7.713
Totaal   13.624   -3.213

Waardeoverdracht betreft de ontvangst van of overdracht aan het pensioenfonds of de pensioenverzekeraar van respectievelijk de vorige of nieuwe werkgever van de contante waarde van premievrije pensioenaanspraken van deelnemers, die tot de ontslagdatum zijn opgebouwd.

De ontvangen koopsommen worden aangewend voor de inkoop van extra dienstjaren. Nadat de beleidsdekkingsgraad zich ultimo maart 2022 boven de 100% bevond is het proces van waardeoverdracht weer gestart. 

15. Overige lasten

(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Andere lasten   10   0
Interest lasten overig   28   48
Dotatie/vrijval voorziening oninbare vorderingen   726   -261
Totaal   764   -213

9.10 Gebeurtenissen na balansdatum

UFR-systematiek

DNB maakte op 28 augustus 2020 bekend dat de nieuwe UFR-systematiek in vier jaar stapsgewijs door gaat werken in de vaststelling van de rekenrente voor pensioenfondsen. Deze stappen zullen de rentebedragen met een looptijd van meer dan 20 jaar per stap doen dalen. 

In het tweede jaar is de rentetermijnstructuur voor 50% gebaseerd op UFR20 en voor 50% op UFR30, ook wel UFR25 genoemd. Jaarlijks wijzigt de verdeling in gelijke stappen, totdat vanaf 1 januari 2024 de rentetermijnstructuur volledig gebaseerd is op UFR30. Eind 2022 heeft DNB besloten dat de laatste twee stappen in januari 2023 worden genomen waarmee het proces ingekort is.

Indien rekening gehouden wordt met het bovenstaande zou de technische voorziening voor risico fonds bij benadering zijn toegenomen met € 17,2 miljoen. Het effect hiervan op de dekkingsgraad bedraagt -0,6%-punt.

 

Groningen, 15 juni 2023

 

Bestuur

R. Barnhoorn

C.M.W. Bongers

R. Dik

W. Kannegieter

P. Mannaert

J.G.M. van Ophem

C.H. Smits-Van Beijeren Bergen en Henegouwen

M.W. van Straten

C.P.M. Teunissen

S.E.M. Verhoef

De RvT heeft een goedkeuringsrecht op het besluit van het Bestuur om het jaarverslag vast te stellen. Dat betekent niet dat de RvT het jaarverslag goedkeurt, maar wel dat de RvT heeft geconstateerd dat het vaststellingsbesluit van het Bestuur op goede gronden is genomen. Als bevestiging hiervan heeft de RvT het jaarverslag ondertekend.

Raad van toezicht

F. F. Albrecht

M.J.M. Hendriks

W.J.J. Ong

Versie:
v6.2.32

Met iWink Report maak je professionele online publicaties. Publicaties die je online, in print en als PDF-download kunt aanbieden.

En daarmee voldoe je direct aan de WCAG-wetgeving rond digitale toegankelijkheid.

Eenvoudig, veilig en efficiënt.

Meer over iWink Report